Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een voorwaardelijke alimentatieverplichting in 2019 nog niet kon worden verrekend. Ook hoefde de inspecteur een later ontvangen verklaring in bezwaar niet uit eigen beweging toe te sturen.
Een man en zijn ex-partner spreken bij hun scheiding af dat hij maandelijks € 2.000 partneralimentatie moet betalen zodra haar dienstverband bij zijn advocatenkantoor eindigt. Dat dienstverband eindigt pas per 1 april 2020. De man trekt in zijn aangifte IB/PVV 2019 toch € 48.000 aan partneralimentatie af. Hij stelt dat hij al in 2019 een vordering op zijn ex-partner had vanwege onder meer voorgeschoten kosten en opnames van zijn bankrekening en dat hij die vordering met de toekomstige alimentatie heeft verrekend. De inspecteur weigert de aftrek. Daarnaast klaagt de man erover dat de inspecteur een schriftelijke verklaring van zijn ex-partner tijdens de bezwaarfase niet aan hem heeft toegestuurd.
Geen zelfstandig recht op toezending
Het hof oordeelt dat artikel 7:4 Awb de inspecteur verplicht de stukken in bezwaar ter inzage te leggen en de belastingplichtige op dat inzagerecht te wijzen. Er bestaat in de bezwaarfase echter geen zelfstandig recht op toezending van alle stukken. De man is uitgenodigd voor een hoorgesprek en gewezen op de mogelijkheid het dossier in te zien, maar heeft daarvan geen gebruikgemaakt. De inspecteur hoefde de later ontvangen verklaring van de ex-partner daarom niet afzonderlijk toe te sturen. Ook van strijd met het fair play-beginsel is geen sprake.
Alimentatieverplichting ontstond pas in 2020
Ook de aftrek van € 48.000 blijft geweigerd. De verplichting tot partneralimentatie was afhankelijk van het eindigen van het dienstverband van de ex-partner. Die opschortende voorwaarde wordt pas op 1 april 2020 vervuld. In 2019 was de man daarom nog niet bevoegd deze voorwaardelijke schuld te betalen en kon hij zijn eventuele tegenvordering ook niet met de alimentatie verrekenen. Van vooruitbetaalde of afgekochte alimentatie is evenmin sprake. In 2019 heeft dus geen partneralimentatie op hem gedrukt in de zin van de Wet IB 2001. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
Wet: art. 7:4 Awb en art. 6.1 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 29-07-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2079, 25/897 | NDFR





Geef een reactie