Een werknemer van het Europees Octrooibureau met de Nederlandse nationaliteit heeft geen recht op vrijstelling van box 3. Hof Den Haag ziet geen verboden ongelijke behandeling ten opzichte van bepaalde buitenlandse werknemers van het EOB.
Een man werkt bij het Europees Octrooibureau (EOB) in Rijswijk en woont in Nederland. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit en werkt in rang A4. Voor 2019 en 2020 krijgt hij aanslagen ib/pvv opgelegd met belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. De man meent dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van EOB-medewerkers zonder Nederlandse nationaliteit die uit het buitenland zijn aangeworven. Zij kunnen onder voorwaarden fiscale voorrechten genieten. Volgens hem moeten werknemers die langer dan tien jaar in Nederland verblijven bovendien als duurzaam in Nederland verblijvend worden beschouwd, waardoor het verschil in behandeling niet langer is te rechtvaardigen. Hij beroept zich onder meer op het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
Geen ongelijke behandeling in box 3
Het hof oordeelt dat de man vanwege zijn Nederlandse nationaliteit op grond van de Zetelovereenkomst geen recht heeft op de fiscale vrijstelling. Zijn uitleg van het begrip ‘duurzaam verblijf houden’ volgt het hof niet. De Zetelovereenkomst en het Verdrag van Wenen schrijven niet voor dat dit begrip voor iedere categorie werknemers en iedere belasting op precies dezelfde manier moet worden toegepast. Bovendien geldt de termijn van tien jaar uit de Uitvoeringsregeling AWR niet voor de inkomstenbelasting. Die beperking ziet onder meer op de omzetbelasting, motorrijtuigenbelasting en bpm. Van de door de man gestelde ongelijke behandeling bij de heffing in box 3 is daarom geen sprake.
Het hoger beroep is ongegrond.
Wet: art. 39 AWR
Bron: Gerechtshof Den Haag, 13-10-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:3111, BK-25/1097 en BK-25/1098 | NDFR





Geef een reactie