De Kennisgroep omzetbelasting heeft vragen beantwoord over de toepassing van de sportvrijstelling op het verlenen van het recht om te sporten en op het ter beschikking stellen van sportattributen door een onderwijsinstelling.
Universiteit X is een onderwijsinstelling die geen winst beoogt. Voor de onderwijsactiviteiten geldt de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel o, van de Wet OB 1968. X heeft een sportcentrum waar studenten, medewerkers en derden tegen vergoeding kunnen sporten. Derden betalen voor een abonnement een hogere prijs dan studenten en medewerkers. Ook bestaat de mogelijkheid tot het huren van sportattributen zoals tennisrackets. Het verlenen van het recht om te sporten is een zelfstandige, niet met het onderwijs nauw samenhangende dienst.
Vragen
- Is het door X tegen vergoeding verlenen van het recht om te sporten vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel e, Wet OB 1968?
- Is het door X tegen vergoeding ter beschikking stellen van sportattributen, zoals tennisrackets, vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid aanhef en onderdeel e, Wet OB 1968?
Antwoorden
- Ja, het door X tegen vergoeding verlenen van het recht om te sporten is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel e, Wet OB 1968.
- Nee, het door X tegen vergoeding ter beschikking stellen van sportattributen, zoals tennisrackets, is niet vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid aanhef en onderdeel e, Wet OB 1968.





Geef een reactie