Een bv mag een voorziening vormen voor een cashbonus waarmee voorwaardelijke rechten op aandelen van werknemers zijn afgekocht. Volgens de Hoge Raad is van toekenning in de zin van het aftrekverbod pas sprake als de opschortende voorwaarden zijn vervuld.
In 2013 en 2014 kent de Franse moedervennootschap van een bv (de SA) aan vijf werknemers van de bv voorwaardelijke rechten op levering van aandelen in de SA toe. De aandelen worden geleverd onder de opschortende voorwaarde dat de werknemer na vier jaar nog in dienst is en aan prestatievoorwaarden is voldaan. In 2015 wordt 66,7% van de aandelen in de SA verkocht aan een andere Franse vennootschap (de SAS). Omdat de SAS de resterende aandelen van de markt wil halen, krijgen de werknemers een cashbonus aangeboden in ruil voor het afzien van hun rechten. Die bonus is niet gekoppeld aan voorwaarden en wordt in december 2016 en juni 2018 uitbetaald. De werknemers gaan akkoord. De bonus van in totaal € 630.750 komt ten laste van de bv. In geschil is of de bv daarvoor in 2015 een voorziening mag vormen, of dat het aftrekverbod van art. 10 lid 1 letter j Wet Vpb 1969 dat verhindert.
Afkoop vóór vervulling voorwaarden
Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat het aftrekverbod aangrijpt bij de daadwerkelijke toekenning van optierechten, het moment waarop pseudo-aandeelhouderschap ontstaat. Bij toekenning onder opschortende voorwaarden krijgen de verbintenissen volgens art. 6:22 BW pas werking na vervulling van de voorwaarden. Het aftrekverbod verzet zich er wel tegen dat de bv vooruitlopend op die vervulling een voorziening vormt. Maar hier zijn de voorwaarden nooit vervuld: de rechten zijn vóór dat moment afgekocht tegen de cashbonus. Daarom valt de bonus niet onder het aftrekverbod en mag de bv een voorziening van € 630.750 vormen.
Aftrekverbod volgt civiele werking
De staatssecretaris betoogt in cassatie dat ook toekenning onder opschortende voorwaarden onder het aftrekverbod valt. De Hoge Raad volgt dat niet. Het aftrekverbod is in 2007 ingevoerd om de aftrek van de waarde van aan werknemers toegekende aandelen en optierechten uit te sluiten. Noch de wettekst, noch de wetsgeschiedenis bevat aanwijzingen dat de wetgever wilde afwijken van de temporele werking van een opschortende voorwaarde uit art. 6:22 BW. Daar is ook geen aanleiding voor, want zolang de voorwaarden niet zijn vervuld, kan toch al geen bedrag ten laste van de winst komen. Pas bij vervulling worden de rechten afdwingbaar, ontstaat pseudo-aandeelhouderschap en grijpt het aftrekverbod in. Het hof oordeelt dus terecht dat van toekenning nooit sprake is geweest. Het cassatieberoep is ongegrond.
Wet: art. 10, eerste lid, letter j Wet Vpb 1969
Bron: Hoge Raad, 09-10-2026, ECLI:NL:HR:2026:1631, 23/01315 | NDFR





Geef een reactie