A-G Pauwels concludeert dat de technisch-ab-regeling terecht is toegepast op dividenden die een Cypriotische vennootschap ontvangt van een Nederlandse dochter. Volgens de A-G is sprake van een kunstmatige constructie waarmee Nederlandse belasting wordt ontgaan.
Een op Cyprus gevestigde vennootschap ontvangt in 2013 tot en met 2017 in totaal € 42,6 miljoen aan dividend van een Nederlandse dochtervennootschap. De vennootschappen maken deel uit van een internationale groepsstructuur met uiteindelijk twee aandeelhouders. De inspecteur belast de dividenden op grond van de technisch-ab-regeling van art. 17 lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969. Rechtbank Den Haag vernietigt de aanslagen, maar Hof Den Haag oordeelt dat de regeling wel van toepassing is. Volgens het hof fungeert de Cypriotische vennootschap als doorstroomvennootschap tussen de buiten de EU gevestigde achterliggende aandeelhouders en de Nederlandse vennootschap, zonder dat zij of haar vestiging op Cyprus reële betekenis heeft. De vennootschap gaat in cassatie.
Kunstmatige constructie
A-G Pauwels vindt dat de cassatiemiddelen niet slagen. Het hof heeft volgens hem het toetsingskader uit de rechtspraak van de Hoge Raad juist toegepast. Zonder de Cypriotische vennootschap zouden de achterliggende aandeelhouders meer Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting zijn verschuldigd. Daarnaast heeft het hof kunnen oordelen dat de vennootschap geen materiële onderneming drijft en geen wezenlijke functie binnen de groep vervult. De aangevoerde zakelijke redenen voor de herstructurering verklaren volgens het hof wel de aanwezigheid van de Nederlandse vennootschap, maar niet die van de Cypriotische tussenhoudster. Dat vóór de herstructurering geen Nederlandse belastingclaim bestond, sluit niet uit dat een later toegevoegde stap in de structuur kunstmatig is.
Geen prejudiciële vragen nodig
De A-G gaat daarnaast uitgebreid in op de vraag of het doelvereiste voor misbruik van de moeder-dochterrichtlijn afzonderlijk moet worden getoetst. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat als het subjectieve misbruikelement aanwezig is, in de regel mag worden aangenomen dat ook aan het doelvereiste is voldaan. Hoewel hierover discussie bestaat in de literatuur, ziet Pauwels in de rechtspraak van het HvJ EU steun voor deze benadering. Hij erkent dat daarover enige twijfel mogelijk is, maar vindt prejudiciële vragen in deze zaak niet nodig. De uiteindelijk gerechtigden wonen namelijk buiten de EU. Volgens de A-G staat daarom buiten redelijke twijfel dat een kunstmatige constructie waarmee zij via een EU-vennootschap profiteren van de moeder-dochterrichtlijn, het doel van die richtlijn ondermijnt. Hij adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren.
Wet: art. 17 lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969
Bron: Parket bij de Hoge Raad, 16-10-2026, ECLI:NL:PHR:2026:993, 25/02776 | NDFR





Geef een reactie