Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de aankoop van een kunstcollectie een zakelijke belegging vormt. De persoonlijke voorkeur van de aandeelhouder voor bepaalde kunst maakt de uitgaven nog niet onzakelijk.
Een bv bezit onder meer vastgoed, effecten, deelnemingen, leningen en een kunstcollectie van 82 werken. De collectie is grotendeels aangeschaft tussen 2005 en 2008 en heeft eind 2008 een aanschafwaarde van ruim € 1,2 miljoen. In 2017 verkoopt de bv 43 kunstwerken voor € 759.700 aan een nieuw opgerichte dochtervennootschap. De verkoopprijs is gebaseerd op een taxatie en leidt tot een boekverlies van € 907.145. De inspecteur weigert dit verlies. Volgens hem is de kunstcollectie vooral aangeschaft vanwege de persoonlijke voorkeur van de aandeelhouder en ontbreekt een zakelijk belang. Daarnaast stelt hij dat de verkoop aan de dochtervennootschap onzakelijk is. In geschil is of het boekverlies ten laste van de winst mag komen.
Beleggingsmotief staat voorop
Het hof oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat de kunst is aangeschaft om de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder te bevredigen. Het grootste deel van de collectie bevindt zich in externe opslag en slechts een klein deel hangt in de werkruimte in zijn woning. Het beleggingsmotief staat daarom voorop. Ook bestond bij aankoop een reële kans op rendement. De getaxeerde waarde van de collectie lag in 2009 zelfs boven de aanschafprijs. Dat de aandeelhouder persoonlijk een voorkeur heeft voor de betreffende kunststroming, maakt dit niet anders. Bij vrijwel iedere beleggingsbeslissing spelen volgens het hof tot op zekere hoogte ook de voorkeuren van de bestuurder mee.
Fiscaal motief maakt verkoop niet onzakelijk
Ook de verkoop van de 43 kunstwerken aan de dochtervennootschap is zakelijk. Vaststaat dat de werken tegen de getaxeerde waarde zijn verkocht en dat deze waarde zakelijk is. Dat de bv met de transactie belastingbesparing nastreeft en de verkoop daarom niet met een onafhankelijke derde zou hebben plaatsgevonden, is onvoldoende om de transactie te negeren. Het boekverlies van € 907.145 kan daarom in aanmerking worden genomen. Het hoger beroep is gegrond en het hof vermindert de aanslag tot een belastbare winst van € 191.280.
Wet: art. 8 Wet Vpb 1969
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-10-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6632, 25/2410 | NDFR





Geef een reactie