Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het belastingrentepercentage van 8% voor de Vpb te hoog is. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 moet de belastingrente worden berekend tegen 4%.
Een bv geeft voor 2020 een belastbaar bedrag van € 65.979 aan, na verrekening van € 24.976 aan verliezen. De inspecteur accepteert de verliesverrekening niet en legt een aanslag Vpb op naar een belastbaar bedrag van € 90.955. Daarbij brengt hij € 646 belastingrente in rekening. In bezwaar erkent de inspecteur dat hij de aangiften over 2019 en 2020 onvoldoende voortvarend heeft behandeld. Daarom verkort hij de renteperiode en vermindert hij de belastingrente tot € 414. De bv gaat in beroep. In geschil is of de belastingrente over de juiste periode en tegen het juiste percentage is berekend.
Geen verdere verkorting renteperiode
De rechtbank ziet geen reden om de periode waarover belastingrente wordt berekend verder te verkorten. De inspecteur heeft erkend dat hij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en heeft bij de uitspraak op bezwaar de renteperiode al beperkt tot de datum waarop de aanslag invorderbaar zou zijn geweest als hij wel voortvarend had gehandeld. Daarmee is voldoende tegemoetgekomen aan de bezwaren van de bv. Feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot een verdere verkorting van de renteperiode zijn niet gesteld of gebleken.
Rentepercentage verlaagd naar 4%
De bv heeft wel succes met haar bezwaar tegen het rentepercentage. Voor de Vpb gold op grond van het Besluit belasting- en invorderingsrente een minimumpercentage van 8%. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, oordeelt de rechtbank dat dit percentage niet kan worden toegepast. De belastingrente moet worden berekend tegen 4%. Daardoor daalt de beschikking van € 414 naar € 248. Het beroep is gegrond en de inspecteur moet het griffierecht vergoeden.
Wet: art. 30hb AWR
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 29-01-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2356, AWB – 24 _ 8206 | NDFR





Geef een reactie