• Skip to primary navigation
  • Skip to main content
  • Skip to primary sidebar
  • Skip to footer
  • Nieuwsbrief
  • Contact

Taxence

Taxence

  • Nieuws & achtergrond
    • Nieuws
    • Branchenieuws
    • Blogs
    • Verdieping
  • Thema’s
    • AI & Tax Technology
    • Arbeid & Loon
    • Belastingplan
    • BTW & Overdrachtsbelasting
    • BV & DGA
    • Duurzaamheid (ESG & CSRD)
    • Estate planning
    • Alle thema’s
  • Opleidingen
    • AI & Tax Tech
    • ESG & CSRD
    • Estate Planning
    • BTW
    • Vastgoed
    • Internationaal
    • Arbeid & Loon
    • Formeel
    • Familiebedrijven
    • VPB
    • Pensioen
  • Carrière
    • Personalia
    • Vacatures
    • Vacature toevoegen
    • Partners
  • Vakinformatie
    • NDFR
    • Addify
    • JES! Knowledge
    • Fiscaal en meer
    • Tax talks
    • Vakblad Estate Planning
    • Specials
  • Kennisbank

Artikel 10a AWR: wanneer treedt de suppletieverplichting in?

20 maart 2018 door Kim Demandt

Het is de tweede keer dat een uitspraak is gepubliceerd over een medeplegersboete. Ditmaal betreft het een boete voor een belastingadviseur wegens overtreding van de suppletieverplichting voor te weinig aangegeven omzetbelasting. Het is niet meer enkel de belastingplichtige die hiervoor wordt beboet, ook de adviseur moet voor een dergelijke boete oppassen!

In het kort gaat deze zaak om het bewust indienen van nihilaangiften vanwege financiële problemen bij het bedrijf. Vervolgens blijft een suppletie achterwege, waarvoor aan de adviseur een boete op grond van artikel 10a AWR jo. 15 Uitvoeringbesluit OB over de jaren 2011 en 2012 is opgelegd. De adviseur wordt ‘medeplegen’ verweten, omdat nauw en bewust zou zijn samengewerkt met de belastingplichtige. De boete wordt door de inspecteur al wel gematigd van 50% naar 5,6%, vanwege de draagkracht van de onderneming, de gedragsverandering met betrekking tot het indienen van nihilaangiften en de onzekerheid waarin de adviseur heeft verkeerd over de hoogte van de mogelijke boete.

 

De toepassing van artikel 10a AWR in de praktijk verloopt niet zonder problemen. Ook bij Rechtbank Noord-Holland gaat het naar mijn idee mis. De rechtbank oordeelt dat het bedrag van de te suppleren omzetbelasting over het jaar 2011 ten tijde van het opstellen van de jaarrekening, in casu medio 2012, bekend was. Hetzelfde geldt voor het jaar 2012. Er is dus naar het oordeel van de rechtbank opzettelijk geen suppletie ingediend, dus de boete is terecht opgelegd. Meer woorden wijdt de rechtbank er niet aan.

 

Naar mijn idee wordt de boete voor de suppletieverplichting hier onjuist beoordeeld, onder andere in het licht van het moment waarop de suppletieverplichting intreedt. Dat is zodra de belastingplichtige bekend is of is geworden met de onjuistheid of onvolledigheid. Volgens de parlementaire geschiedenis kan de bekendheid bijvoorbeeld voortvloeien uit de jaarstukken. In dit geval knoopt de rechtbank in mijn optiek ten onrechte bij dat moment aan. Immers, als bewust nihilaangiften worden ingediend, dan treedt op dát moment de suppletieverplichting in. Als die aangiften zijn ingediend vóór 1 januari 2012, dan zijn die aangiften gedaan voor het moment waarop de suppletieverplichting in de wet is opgenomen (namelijk 1 januari 2012). Rechtbank Oost-Brabant. heeft daar reeds een oordeel over geveld: ‘deze strafbaarstelling van in het verleden begane fouten die op dat moment nog niet strafbaar waren is in strijd met het legaliteitsbeginsel neergelegd in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.’ Deze lijn kan naar mijn mening worden doorgetrokken naar het fiscale recht: als de suppletieverplichting al in 2011 is ingetreden, kan een belastingplichtige of diens belastingadviseur niet meer worden beboet op grond van artikel 10a AWR.

 

Wees waakzaam als een 10a AWR-boete wordt aangekondigd en let daarbij op de formaliteiten.

 
 

Filed Under: Blogs, Formeel belastingrecht

Reageer
Vorige artikel
Van WOZ-waarde naar bodemwaarde, zoek het tot op de bodem uit!
Volgende artikel
Hou ‘t hoofd maar koel met zo’n informatiebeschikking

Reader Interactions

Gerelateerde berichten

belastingaanslag

Geen verzuimboete zonder bewijs juist toezendadres

Hof Amsterdam vernietigt een verzuimboete omdat de inspecteur niet overtuigend aantoont dat de aanmaning op het juiste adres is aangeboden of ontvangen. Ook is er geen grond voor omkering en verzwaring van de bewijslast.

crypto box 3 jongere

Opinie | Naar een EU-belasting voor cryptoactiva?

In deze NTFR Opinie bespreekt prof. mr. dr. Dennis Post het onderzoek van de Europese Commissie naar een EU-belasting op cryptoactiva. De auteur bespreekt de twee onderzochte varianten (een transactiebelasting en een vermogenswinstbelasting) en plaatst deze in de context van belastingheffing over cryptoactiva in Nederland.

btw afdragen bij inruil voucher van derde

Vervalste administratie webshop leidt tot schatting winst

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een administratie met ernstige gebreken geen betrouwbare grondslag vormt voor de winstberekening. De inspecteur mag daarom volstaan met een gemotiveerde schatting, waarna de ondernemer aannemelijk moet maken dat zijn winst lager is.

Opinie | De Belastingdienst weet het al: over gegevensdeling en informatieplichten

De Autoriteit Persoonsgegevens (‘AP’) droeg de Belastingdienst op te stoppen met het gebruik van het BSN in betalingskernmerken en vorderingsnummers. In de discussie daarna draaide het steeds om de vraag hoeveel de Belastingdienst van burgers mag weten. Dat is te eenzijdig volgens mr. S. El Oiskhiri want de Belastingdienst beschikt al over burgergegevens. Een andere... lees verder

bfi's

Opinie | Waarom de Hoge Raad de zaak NEO in de gaten moet houden

Bij een uitdeling door een dochtervennootschap aan een in een lidstaat of verdragsstaat gevestigde moedervennootschap geldt een inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting, tenzij sprake is van misbruik. Wat precies misbruik vormt is nog niet geheel duidelijk. We weten dat sprake is van misbruik als de belastingplichtige de vrijstelling door een gekunstelde constructie wil veiligstellen terwijl toepassing van de vrijstelling in dat geval in strijd is met het doel van de EU-Moederrichtlijn (‘MDR’). Het probleem is dat we niet precies weten in welke gevallen het doel van de MDR wordt ondermijnd. De Hoge Raad had de Belgische-houdsterzaken daarom moeten verwijzen naar het HvJ.  Prof. dr. Otto Marres verwacht dat het HvJ in de zaak NEO wat meer zal uitweiden over wat nu precies richtlijnondermijnend is.

Geef een reactie Reactie annuleren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Primary Sidebar

Opleidingen

Masterclass Belastingcontrole met steekproeven vs Tax Monitoring

AGENDA

Online cursus Technisch aanmerkelijk belang | PE Accreditatie

Online Basistraining AI voor de fiscale praktijk

Cursus Contracteren en managen van AI-systemen | PE Accreditatie

Verdiepingscursus Internationale aspecten loonheffing | PE Accreditatie

Pitstop casuscollege bedrijfsopvolging | PE Accreditatie

Online Basistraining AI voor de fiscale praktijk

Online cursus CV en bedrijfsopvolging

Online cursus Schenken en lenen in familieverband

Meerdaagse opleiding Vastgoedfiscaliteiten

Stoomcursus AI voor Fiscale professionals

Meer opleidingen

Footer

  • Fiscaal nieuws
  • Opleidingen
  • Kennisbank
  • Vacatures
  • Over ons
  • Adverteren op Taxence
  • NDFR
  • JES! (ESG producten)
  • Fiscaal en meer
  • Tax Talks
  • Register Estate Planners (REP)
  • Contact
  • Linkedin
  • X
  • Facebook
  • Aanmelden nieuwsbrief
  • Naar Lefebvre Sdu Webshop

Taxence is een uitgave van
Lefebvre Sdu
Maanweg 174
2516 AB Den Haag

Powered by Lefebvre Sdu

  • Disclaimer
  • Privacy Statement en Cookiebeleid
lefebvre SDU

Het laatste nieuws van
Taxence in je mail?

Aanmelden

 

×