Hof Den Haag oordeelt dat het nultarief voor accijnsgoederen niet mag worden geweigerd enkel omdat een buitenlands gevestigde bv geen fiscaal vertegenwoordiger heeft aangesteld. Die eis is in strijd met het Unierecht.
Een bv handelt in alcoholhoudende dranken. De goederen worden ingekocht, opgeslagen en verkocht in de accijnsgoederenplaats van een Nederlandse logistiek dienstverlener. De dga woont in het buitenland. Over 2018 en 1 januari 2019 tot en met 30 september 2019 past de bv het nultarief toe op leveringen van accijnsgoederen in een accijnsgoederenplaats. De inspecteur legt naheffingsaanslagen omzetbelasting op, omdat de bv volgens hem niet in Nederland is gevestigd, hier geen vaste inrichting heeft en geen fiscaal vertegenwoordiger heeft aangesteld. In hoger beroep is in geschil of het nultarief terecht is geweigerd.
Geen vestiging in Nederland
Het hof oordeelt dat de bv niet in Nederland is gevestigd en hier ook geen vaste inrichting heeft. Doorslaggevend is waar de centrale bestuurstaken worden uitgeoefend. Dat de leveringen in Nederland plaatsvinden en gebruik wordt gemaakt van een Nederlandse dienstverlener, is onvoldoende.
Eis fiscaal vertegenwoordiger in strijd met EU-recht
Volgens het hof is de verplichting om voor toepassing van het nultarief een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen discriminerend. Tussen Nederland en het land van vestiging bestaat een regeling voor wederzijdse bijstand, zodat die eis niet gerechtvaardigd is. Vaststaat dat aan de materiële voorwaarden van tabel II, post a.7, is voldaan. Het ontbreken van formele vereisten mag dan niet tot weigering van het nultarief leiden. De naheffingsaanslagen over 2018 en 1 januari 2019 tot en met 30 september 2019 worden vernietigd.
Wet: art. 9 lid 2; tabel II, post a.7 Wet OB 1968 en art. 12 Uitv.besl. OB 1968
Bron: Gerechtshof Den Haag, 22-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:139, BK-24/999 en BK-24/1000 | NDFR





Geef een reactie