A-G Koopman concludeert dat de inspecteur bij het beoordelen van een aangifte ook eerdere jaren moet raadplegen. Toch kan in deze zaak geen navordering plaatsvinden, omdat geen nieuw feit en geen kenbare fout aanwezig is.
Een man met de Nederlandse nationaliteit woont sinds 1997 in Duitsland en ontvangt in 2017-2019 een AOW-uitkering en een pensioen uit Nederland. In zijn Nederlandse aangiften inkomstenbelasting rekent hij beide uitkeringen tot het Nederlandse box-1-inkomen en trekt hij negatieve inkomsten uit eigen woning en zorgkosten af. Ook claimt hij de status van kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De inspecteur volgt deze aangiften aanvankelijk en legt geautomatiseerd nihil-aanslagen op. Later komt de inspecteur tot de conclusie dat het pensioen een overheidspensioen is. Daardoor is de AOW volgens het belastingverdrag alleen in Duitsland belast en voldoet de man niet aan de voorwaarden voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht. De inspecteur legt daarom navorderingsaanslagen op voor 2017-2019.
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!
Geen nieuw feit door beschikbare dossierinformatie
Volgens A-G Koopman mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in beginsel uitgaan van de juistheid van de aangifte. Toch moet hij bij een zorgvuldige beoordeling ook kijken naar de context van de aangifte, zoals gegevens uit het dossier en aangiften van eerdere jaren. In deze zaak kon de inspecteur uit de aanslag voor 2015 afleiden dat het pensioen publiekrechtelijk was opgebouwd. Daardoor waren de aangiften voor 2017-2019 niet te rijmen met die eerdere aanslag. In zo’n situatie moet de inspecteur nader onderzoek doen. Laat hij dat na, dan is sprake van een ambtelijk verzuim en ontbreekt een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
Geautomatiseerde aanslag wel fout, maar niet kenbaar
De A-G merkt op dat een geautomatiseerd vastgestelde aanslag die een onjuiste aangifte volgt in beginsel kan worden aangemerkt als een fout in de zin van artikel 16(2)(c) AWR. Toch kan ook dan niet worden nagevorderd als die fout voor de belastingplichtige niet redelijkerwijs kenbaar was. Volgens Koopman kon de man redelijkerwijs menen dat de aanslagen juist waren, mede omdat er nog onzekerheid bestaat over de verenigbaarheid van de Nederlandse regeling voor buitenlandse belastingplichtigen met het EU-recht. Daarom is ook de kenbare-foutregeling niet van toepassing.
De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond te verklaren.
Wet: art. 16 AWR
Bron: Parket bij de Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:188, 25/02747 | NDFR




Geef een reactie