A-G Wattel concludeert dat een bv geen recht heeft op verrekening van dividendbelasting omdat sprake is van kunstmatige dividendstripping. Volgens hem kan verrekening worden geweigerd via het leerstuk van fraus legis, ook al voldoet de constructie niet strikt aan alle criteria van artikel 25(2) Wet Vpb.
Een Nederlandse bv maakte in 2012 deel uit van een internationale handelsgroep die actief was in aandelenhandel. De groep hield vaak long- en shortposities in aandelen om koersrisico’s af te dekken. In dit geval had een buitenlandse groepsvennootschap vlak voor dividenddatum Nederlandse beursgenoteerde aandelen cum dividend gekocht van buitenlandse banken. Tegelijk verkocht zij futures op dezelfde aandelen ex dividend. De aandelen werden vervolgens op naam van de Nederlandse bv geregistreerd, zodat zij het dividend ontving en de ingehouden dividendbelasting kon verrekenen.
De inspecteur vond dat de bv geen recht had op verrekening van € 1,86 mln dividendbelasting over 2012. Volgens hem ging het om dividendstripping: een constructie waarbij het dividend formeel bij een verrekeningsgerechtigde partij terechtkomt, terwijl het voordeel feitelijk ten goede komt aan een partij die minder recht heeft op verrekening. Rechtbank Noord-Holland en Hof Amsterdam volgden dit standpunt. De bv ging in cassatie.
Dividendvervangende betaling als tegenprestatie
A-G Wattel stelt dat bij dividendstripping sprake moet zijn van een tegenprestatie die samenhangt met het ontvangen dividend. Volgens hem bestaat die tegenprestatie hier uit de prijs die bij aankoop van de aandelen cum dividend is betaald: daarmee wordt het verwachte dividend feitelijk vooruitbetaald aan de verkoper. Het maakt daarbij niet uit dat de omvang van de tegenprestatie mede wordt beïnvloed door de prijs van de futures; zolang de betaling duidelijk verband houdt met het dividend, voldoet zij aan het criterium van artikel 25(2) Wet Vpb.
Verder acht de A-G het oordeel van het hof begrijpelijk dat de transacties onderdeel zijn van een samenstel waarbij het dividend indirect ten goede komt aan minder verrekeningsgerechtigde buitenlandse partijen. De prijsstelling van de futures – waarin slechts 88-92 % van het dividend was verwerkt – wijst erop dat de wederpartijen een deel van de dividendbelasting wilden delen. Dat vormt een aanwijzing dat het economische belang bij de aandelen bij hen bleef.
Fraus legis bij kunstmatige scheiding binnen concern
Volgens de A-G kan de constructie niet uitsluitend via een grammaticale uitleg van art. 25(2) Wet Vpb worden bestreden, omdat de tegenprestatie formeel door een buitenlandse groepsvennootschap werd verricht. Toch moet de verrekening worden geweigerd. De groep heeft volgens hem namelijk bewust een kunstmatige scheiding aangebracht tussen de bv die het dividend ontvangt en de groepsvennootschap die de tegenprestatie verricht. Daarmee wordt doel en strekking van de anti-dividendstrippingbepaling omzeild.
In zo’n geval kan het leerstuk van fraus legis worden toegepast. Het hof heeft volgens de A-G aannemelijk geacht dat het doorslaggevende motief van de constructie was om een kunstmatig verrekeningsrecht te creëren voor buitenlandse partijen. Daarom adviseert hij de Hoge Raad het cassatieberoep van de bv ongegrond te verklaren.
Wet: art. 25 Wet Vpb
Bron: Parket bij de Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:184, 25/01615 | NDFR





Geef een reactie