Een dga die bij de overdracht van zijn supermarkt een vordering op zijn bv krijgt, kan het afwaarderingsverlies niet ten laste van zijn inkomen in box 1 brengen. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat sprake is van een onzakelijke lening.
Een man is tot eind 2017 dga van een bv die een supermarkt exploiteert. Omdat de bv in financiële problemen verkeert, maakt hij in 2012 privégeld over naar de bv. Dit bedrag, inmiddels omgezet in een achtergestelde lening van ruim € 364.000, staat per 1 januari 2017 als schuld op de balans van de bv. Op diezelfde datum draagt de bv de supermarkt over aan de man in privé, die de onderneming als eenmanszaak voortzet. De negatieve koopsom van € 445.170 blijft de bv schuldig. In 2017 waardert de man deze vordering volledig af en neemt het verlies op in zijn aangifte als verlies uit onderneming. De inspecteur weigert de aftrek in box 1. De bv wordt per 1 december 2017 geliquideerd.
Onzakelijk debiteurenrisico aanvaard
Het hof oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de man bij het ontstaan van de vordering een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. De bv had op het moment van overdracht een significant negatief eigen vermogen en geen ondernemingsactiviteiten meer. Er zijn geen zekerheden gesteld en geen aflossingsschema overeengekomen, terwijl de bv ook geen voornemen had om nieuwe activiteiten te starten. Dat de koopsom zelf mogelijk op zakelijke gronden tot stand is gekomen, doet daar niet aan af: bepalend is of de lening die voortvloeit uit het schuldig blijven van de koopsom zakelijk is. Het afwaarderingsverlies kan niet ten laste van de winst uit onderneming worden gebracht.
Geen aftrek als resultaat overige werkzaamheden
Subsidiair betoogt de man dat de vordering bestaat uit twee deelleningen en dat de afwaardering daarvan ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden kan komen. Het hof verwerpt dit. Het deel van € 319.626, dat overeenkwam met de bestaande schuld van de bv aan de man, is bij de overdracht van de onderneming tenietgegaan door vermenging: schuldeiser en schuldenaar werden op dat moment dezelfde persoon. Het resterende deel van € 125.544 kan evenmin worden afgewaardeerd, omdat ook daarvoor geldt dat sprake is van een onzakelijke lening. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, omdat de man geen concrete toezeggingen of gedragingen van de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt.
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:183, 24/171 | NDFR






Geef een reactie