Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur niet voortvarend genoeg heeft gehandeld bij de navordering van erfbelasting over Belgisch vermogen. De navorderingsaanslag en vergrijpboete worden daarom vernietigd.
Een vrouw erft in 2010 vermogen van haar echtgenoot. Belgische rekeningen worden niet in de aangifte erfbelasting vermeld. In september 2020 verstrekt zij de inspecteur informatie over deze rekeningen. Pas op 1 april 2021 wordt intern onderzocht of het Belgische vermogen gevolgen heeft voor de erfbelasting. In februari 2022 volgt een navorderingsaanslag erfbelasting van € 20.007 met een vergrijpboete. In geschil is onder meer of de inspecteur bij de navordering voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Meer dan zes maanden vertraging
Het hof oordeelt dat de inspecteur inkomstenbelasting en de inspecteur erfbelasting voor de voortvarendheidseis één bestuursorgaan zijn. De termijn begint daarom al bij ontvangst van de informatie over het buitenlandse vermogen in september 2020. Tot 1 april 2021 zijn geen relevante werkzaamheden voor de erfbelasting over 2010 verricht. Daarmee is sprake van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. Dat de vrouw haar verklaring niet volledig naar waarheid heeft ingevuld, maakt dit niet anders. Het hof vernietigt de navorderingsaanslag en de vergrijpboete.
Wet: art. 16 AWR en art. 66 SW 1956
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 21-07-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2574, 25/726 | NDFR





Geef een reactie