Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de navorderingsaanslagen op basis van CRS-gegevens voldoende voortvarend zijn opgelegd. De vrouw die jaarlijks ‘blind’ de door haar man opgestelde aangifte ondertekende, treft grove schuld.
Een vrouw en haar echtgenoot houden in de jaren 2009 tot en met 2019 bankrekeningen aan bij meerdere banken in Duitsland en de Verenigde Staten, met saldi die oplopen tot ruim € 300.000. In de gezamenlijke aangiften IB/PVV verantwoorden zij deze tegoeden niet of slechts voor een klein deel. De inspecteur legt op basis van gegevens uit de Spaarrenterichtlijn en de CRS navorderingsaanslagen IB/PVV op over 2009, 2010, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2019, alsmede een aanslag over 2018, met vergrijpboetes van 150%. In geschil is of de navorderingsaanslagen tijdig en voortvarend zijn opgelegd en of de vrouw een boete treft.
CRS-project voldoende voortvarend
Het hof oordeelt dat overschrijding van de bezwaartermijn geen gevolgen heeft voor de belastingaanslagen. De voortvarendheid van de navorderingen wordt beoordeeld vanaf oktober 2017, het moment van ontvangst van de eerste CRS-gegevens. De periode van ruim drie jaar tot de eerste vragenbrief in januari 2021 is aanvaardbaar, gelet op de massaliteit van circa 1,23 miljoen records, de projectmatige aanpak en het ontbreken van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. Voor 2015 en 2016 vernietigt het hof de navorderingsaanslagen en bijbehorende boete- en rentebeschikkingen, omdat de echtgenoot ter zitting verzoekt het gehele box 3-vermogen aan zichzelf toe te rekenen en de aanslagen nog niet onherroepelijk vaststaan.
Blind tekenen is grove schuld
De vergrijpboetes blijven voor de overige jaren in stand. De vrouw wist dat haar echtgenoot buitenlandse rekeningen aanhield, maar ondertekende de aangiften IB/PVV jaar na jaar zonder inhoudelijke beoordeling. Dit roekeloos handelen grenst aan opzet: had zij de aangiften gelezen, had haar niet kunnen ontgaan dat de buitenlandse tegoeden niet of onjuist waren verantwoord. Het hof stelt de boetes vast op 75% van de nagevorderde belasting.
Wet: art. 7:10 Awb, art. 16 AWR en art. 2.17 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Den Haag, 16-04-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:716, BK-24/946 t/m BK-24/953 | NDFR





Geef een reactie