Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een zelfstandig pedagogisch medewerker de btw-vrijstelling voor kinderopvang kan toepassen. De vrijstelling is niet beperkt tot de houder van een geregistreerd kindercentrum.
Een zelfstandig pedagogisch medewerker werkt via een platform en rechtstreeks voor kinderopvangorganisaties. Bij personeelstekorten verricht hij daar pedagogische diensten, waaronder de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van kinderen. Hij werkt voor eigen rekening en risico en staat ingeschreven in het personenregister kinderopvang. De ouders sluiten hun overeenkomst met de kinderopvangorganisatie en niet met de zelfstandige. Over zijn diensten aan de kinderopvangorganisaties voldoet hij in 2021 btw naar het algemene tarief. De inspecteur vindt dat de kinderopvangvrijstelling alleen geldt voor de houder van een geregistreerd kindercentrum. In geschil is of de zelfstandige zelf de vrijstelling van art. 11 lid 1 onderdeel w Wet OB 1968 kan toepassen.
Diensten zijn kinderopvang
Het hof oordeelt dat de werkzaamheden van de zelfstandige overeenkomen met die van een beroepskracht volgens de Wet kinderopvang. Ook een zelfstandig ondernemer kan beroepskracht zijn. Zijn activiteiten bestaan daadwerkelijk uit het verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en vinden plaats in geregistreerde kindercentra. De diensten zijn daarom niet slechts het ter beschikking stellen van arbeid, zoals de inspecteur stelt, maar kwalificeren als kinderopvang. De zelfstandige voldoet bovendien aan de voor hem geldende eisen uit de Wet kinderopvang. Hij staat in het personenregister kinderopvang en zijn VOG en registratie worden vóór aanvang van de werkzaamheden aan het kindercentrum gekoppeld.
Vrijstelling niet alleen voor houder
Volgens het hof volgt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever de btw-vrijstelling heeft willen toepassen op kinderopvang die aan een bepaalde basiskwaliteit voldoet. Ook natuurlijke personen kunnen voor de Btw-richtlijn worden erkend als instelling van sociale aard. Omdat de zelfstandige voldoet aan de eisen die de Wet kinderopvang aan hem stelt, kwalificeert hij als zo’n erkende instelling. De vrijstelling is daarom niet uitsluitend voorbehouden aan de houder van het geregistreerde kindercentrum. Het hoger beroep is gegrond.
Wet: art. 11 lid 1 onderdeel w Wet OB 1968 en art. 132 lid 1 onderdelen g en h Btw-richtlijn 2006
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-10-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6630, 25/1342 t/m 25/1345 | NDFR





Geef een reactie