Rechtbank Gelderland vernietigt een deelnemersboete van € 167.500, omdat de dga mocht vertrouwen op een gerenommeerd belastingadvieskantoor. De inspecteur bewijst niet dat sprake is van opzet bij feitelijk leidinggeven, medeplegen of medeplichtigheid.
De inspecteur legt aan een man voor 2015 een vergrijpboete van € 200.000 op, later verminderd tot € 167.500. Volgens de inspecteur heeft hij als feitelijk leidinggever, medepleger of medeplichtige deelgenomen aan beboetbare gedragingen van drie vennootschappen binnen een internationale structuur met Curaçaose vennootschappen. Die vennootschappen zouden opzettelijk of grofschuldig geen aangifte vpb 2015 hebben gedaan en niet hebben verzocht om uitreiking van aangiftebiljetten, terwijl hun werkelijke leiding in Nederland lag. Daardoor zou te weinig vpb zijn geheven over 2015. De man stelt dat hij een fiscale leek is en volledig vertrouwde op zijn adviseurs.
Geen bewezen verboden gedraging
De rechtbank Gelderland stelt eerst vast dat voor beboeting moet worden bewezen dat de vennootschappen zelf een beboetbaar feit hebben begaan. Dat verwijt houdt volgens de inspecteur vooral in dat zij geen aangifte vpb 2015 hebben gedaan en niet om een uitnodiging hebben verzocht.
De rechtbank oordeelt dat dit verwijt niet opgaat. De inspecteur heeft de vennootschappen pas eind 2019 uitgenodigd tot het doen van aangifte en vervolgens goedgekeurd dat de aangiften achterwege konden blijven. Ook is niet concreet onderbouwd welke onjuiste inlichtingen zouden zijn verstrekt door de vennootschappen die wél een boete kregen. Daarmee is geen verboden gedraging overtuigend bewezen.
Vertrouwen op deskundige adviseur sluit opzet uit
Zelfs als zou worden uitgegaan van een beboetbaar feit, moet voor feitelijk leidinggeven, medeplegen of medeplichtigheid dubbel opzet worden bewezen. De rechtbank benadrukt dat opzet van een adviseur niet zonder meer kan worden toegerekend aan een ander.
De man heeft een gerenommeerd belastingadvieskantoor en een accountantskantoor ingeschakeld. Uit de stukken blijkt dat het belastingadvieskantoor intensief betrokken was bij de opzet en uitwerking van de structuur en bij investeringsbeslissingen. Er is geen bewijs dat het kantoor de man concreet heeft gewaarschuwd dat zijn handelen ertoe zou leiden dat de werkelijke leiding in Nederland lag. Onder die omstandigheden hoefde hij zich niet zelf in de fiscale vestigingsplaatsproblematiek te verdiepen.
De inspecteur bewijst daarom niet dat de man opzet of grove schuld had ten aanzien van de vermeende overtredingen. Van feitelijk leidinggeven, medeplegen of medeplichtigheid is geen sprake. De rechtbank vernietigt de boetebeschikking volledig.
Wet: art. 67e AWR en art. 5:1 Awb
Bron: Rechtbank Gelderland, 12-12-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10887, AWB 24_6699 | NDFR





Geef een reactie