A-G Koopman concludeert dat een belastingplichtige ook zonder juridisch aandeelhouderschap een aanmerkelijk belang kan hebben als hij het volledige economische belang bij de aandelen houdt. Het cassatieberoep moet daarom ongegrond worden verklaard.
De zaak draait om navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2010. De inspecteur rekent respectievelijk € 350.000 en € 450.000 als inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) tot het inkomen van de man. De bedragen hangen samen met dividenduitkeringen door zijn voormalige bv. Kort na die dividenden worden via een keten van buitenlandse vennootschappen vrijwel gelijke bedragen contant opgenomen in Luxemburg (2008) en overgemaakt naar zijn privérekening (2010). De man was tot begin 2007 enig aandeelhouder van de bv; daarna stonden de aandelen formeel op naam van buitenlandse lichamen. Hij wordt in diverse documenten aangeduid als ultimate beneficial owner (UBO). Ook is er een strafbeschikking wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. In geschil is of hij in 2008 en 2010 nog een ab had en of voor 2010 de verlengde navorderingstermijn van artikel 16(4) AWR geldt.
Economisch belang is beslissend
De A-G zet uitvoerig uiteen dat voor een direct aanmerkelijk belang beslissend is wie het volledige economische belang bij de aandelen houdt. Juridische zeggenschap is daarbij niet doorslaggevend. Volgens hem heeft de Hoge Raad in latere rechtspraak bevestigd dat het economische belang-criterium centraal staat. Begrippen als ‘stroman’ of ‘tussenpersoon’ voegen dan weinig toe: als het volledige economische belang bij de belastingplichtige ligt, heeft hij een direct ab.
Een UBO is niet automatisch ab-houder. Maar het hof heeft zijn oordeel niet alleen gebaseerd op het UBO-schap. Het hof verwijst ook naar service agreements, bankafschriften, verklaringen bij de FIOD en de ondertekende strafbeschikking. Daaruit volgt dat de man via de buitenlandse ‘kerstboomstructuur’ feitelijk over het vermogen van de bv kon blijven beschikken en dat dividenden via de tussenvennootschappen weer bij hem terechtkwamen. Dat het hof geen expliciete dooruitdelingsplicht vaststelt, maakt het oordeel volgens de A-G niet onhoudbaar. De vastgestelde feiten kunnen dragen dat het volledige economische belang bij de man is gebleven.
Omdat daarmee sprake is van een ab, is het dividend in 2010 in het buitenland opgekomen. De verlengde navorderingstermijn van artikel 16(4) AWR is dan van toepassing. Beide cassatiemiddelen falen. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep ongegrond te verklaren.
Wetsartikelen: art. 4.6 en 4.43 Wet IB 2001; art. 16(4) AWR
Bron:Parket bij de Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:PHR:2026:123, 25/02670 | NDFR






Geef een reactie