Het hof oordeelt dat een holding en haar dochtermaatschappij een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen. De verhuur van een pand en inventaris leidt tot niet-verwaarloosbare economische betrekkingen, zodat ook aan dit vereiste is voldaan.
Een bv fungeert als holding en houdt diverse deelnemingen. Eén daarvan is een bv die een cafetaria en ijssalon exploiteert. Deze werkmaatschappij huurt een pand en inventaris van de holding. Beide vennootschappen zijn (middellijk) in handen van dezelfde persoon, die ook (indirect) bestuurder is van beide. De inspecteur merkt de holding, samen met twee andere entiteiten, per 1 december 2020 aan als fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Na bezwaar haalt de inspecteur één cv uit de fiscale eenheid, maar laat de holding en de cafetaria-bv samen in stand. De rechtbank oordeelt vervolgens dat ook met een andere cv geen fiscale eenheid bestaat. In hoger beroep draait het alleen nog om de vraag of de holding en de cafetaria-bv samen terecht als fiscale eenheid zijn aangemerkt.
Organisatorische verwevenheid aanwezig
Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat sprake is van financiële verwevenheid. Voor organisatorische verwevenheid is vereist dat de vennootschappen onder een gezamenlijke, als eenheid functionerende leiding staan. Dat hoeft niet te betekenen dat er feitelijk dagelijks bestuur plaatsvindt. Doorslaggevend is dat dezelfde persoon de strategische, commerciële en organisatorische beslissingen kan nemen. Omdat dezelfde bestuurder via een tussenholding de leiding heeft over beide vennootschappen en geen andere personen bij de feitelijke leiding betrokken zijn, is volgens het hof sprake van organisatorische verwevenheid.
Economische verwevenheid door niet-verwaarloosbare omzet
Ook economische verwevenheid is volgens het hof aanwezig. De holding verhuurt tegen vergoeding een pand en inventaris aan de cafetaria-bv. Uit de administratie volgt dat hiermee in 2020 circa € 35.000 omzet is behaald, op een totale omzet van € 103.051. Daarmee behaalt de holding ongeveer een derde van haar omzet met prestaties aan de dochter. Het hof benadrukt dat geen harde omzetdrempel geldt: beslissend is of sprake is van niet-verwaarloosbare economische betrekkingen. Dat is hier het geval. In samenhang met de financiële en organisatorische verwevenheid concludeert het hof dat terecht een fiscale eenheid voor de omzetbelasting is aangenomen. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.
Wet: art. 7, lid 4 Wet OB 1968
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3540, 24/361 | NDFR





Geef een reactie