Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat Nederland mag heffen over de pensioenuitkeringen van Nationale-Nederlanden. De man maakt niet aannemelijk dat de pensioenopbouw destijds niet fiscaal is gefacilieerd.
Een man woont en werkt tussen 1968 en 1990 in Nederland als apotheker. Naast pensioen bij het Pensioenfonds Openbare Apothekers bouwt hij tussen 1984 en 1990 pensioen op via Nationale-Nederlanden. In 1993 verhuist hij naar België. In 2020 en 2021 ontvangt hij jaarlijks € 19.749 aan pensioen van Nationale-Nederlanden. De inspecteur rekent deze uitkeringen tot het in Nederland belastbare inkomen. In geschil is of Nederland op grond van het belastingverdrag met België over deze pensioenuitkeringen mag heffen. Daarbij draait het om de vraag of de pensioenopbouw in het verleden in Nederland fiscaal is gefacilieerd.
Pensioenopbouw fiscaal gefacilieerd
De rechtbank vindt dat de inspecteur voldoende aannemelijk maakt dat sprake is van door een werkgever toegezegde pensioenaanspraken. Dergelijke werkgeverspensioenen waren in de opbouwfase doorgaans fiscaal gefacilieerd. De man stelt dat hij de premies zelf betaalde, deze niet in aftrek bracht en dat zijn bv de premies alleen voorschot. Hij onderbouwt dit echter niet met objectieve gegevens. De rechtbank begrijpt dat door het tijdsverloop bewijsstukken ontbreken, maar deze bewijsnood komt voor rekening van de man. Hij maakt daarom niet aannemelijk dat zijn pensioenopbouw niet fiscaal is gefacilieerd. De aanslagen IB 2020 en 2021 blijven in stand.
Wet: art. 18, tweede lid, onderdeel a, Belastingverdrag Nederland-België 2001
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 oktober 2026 (gepubliceerd 16 oktober 2026), ECLI:NL:RBZWB:2026:9919, BRE 25/5610 en 25/5613.






Geef een reactie