Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een bv nooit economisch eigenaar is geweest van aandelen in haar dochter wanneer vooraf een prijsafspraak is gemaakt die het waarderisico beperkt. Door deze afspraak kon geen fiscale eenheid ontstaan.
Een bv staat aan het hoofd van een fiscale eenheid vpb en investeert via een dochtermaatschappij in een scheepvaartproject. Deze dochter neemt als commanditaire vennoot deel in een cv die een zeeschip exploiteert. De investering is opgezet met het oog op toepassing van de regeling voor willekeurige afschrijving. De bv vraagt en krijgt een beschikking fiscale eenheid. In de participatieovereenkomst met de initiatiefnemer van het project is echter een aanbiedingsrecht opgenomen. Na drie jaar kan – en moet – de bv haar aandelen aanbieden tegen een prijs die wordt bepaald aan de hand van een vooraf afgesproken rekenmodel. Na een derdenonderzoek bij de initiatiefnemer stelt de inspecteur dat hierdoor geen economische eigendom bestaat. Hij legt navorderingsaanslagen vpb op over 2011 en 2012 en corrigeert ook 2014. De bv bestrijdt dat sprake is van een prijsafspraak en beroept zich onder meer op vertrouwen.
Prijsafspraak beperkt economisch risico
Hof Arnhem-Leeuwarden stelt vast dat de participatieovereenkomst, de termsheet en het rekenmodel samen een prijsafspraak vormen. De koopprijs bij uitoefening van het aanbiedingsrecht volgt uit een vaste methodiek waarbij de waarde van het schip en de belastinglatentie elkaar deels neutraliseren. Daardoor loopt de bv slechts een beperkt risico op waardeveranderingen van de aandelen. Volgens het hof draagt zij niet het risico dat hoort bij economische eigendom van ten minste 95% van de aandelen. Dat de exacte prijs pas later wordt berekend, maakt dit niet anders. Ook verklaringen van de financieel directeur en de adviseur wijzen erop dat werd toegewerkt naar een prijs van ongeveer € 2 miljoen. De bv voldoet daarom niet aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid.
Geen vertrouwen en geen aftrek verliezen
Het hof verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel. De beschikking fiscale eenheid is afgegeven op basis van onvolledige informatie, omdat de prijsafspraak niet is gemeld. De bv had moeten begrijpen dat dit essentieel was voor de beoordeling. Ook het gelijkheidsbeginsel helpt haar niet. Verder oordeelt het hof dat het verlies op de vordering bij verkoop van de dochter niet aftrekbaar is. De lening is onzakelijk: zij is niet schriftelijk vastgelegd, kent geen rente of aflossingsschema en een onafhankelijke derde zou dit risico niet nemen. De navorderingsaanslagen blijven daarom in stand.
Wet: art. 15 Wet Vpb en art. 16 AWR
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7779, 22/1094 t/m 22/1096 en 22/1098 | NDFR




Geef een reactie