De dotatie aan de HIR telt mee bij de zelfstandige winstbepaling, ook als de vervangende investeringen door andere fe-maatschappijen zijn gedaan. De kwijtscheldingswinstvrijstelling is daardoor niet van toepassing.
De bv is moedermaatschappij in een fiscale eenheid en voor 50% firmant in B VoF, die motorvrachtschip 2 exploiteert. In 2018 verkoopt B VoF het schip. De behaalde boekwinst van € 724.833 doteert de bv aan de herinvesteringsreserve (HIR). In 2019 verleent ING Bank N.V. finale kwijting voor de leenschulden van B VoF; het aandeel van de bv bedraagt € 392.556. B VoF wordt per 1 december 2019 ontbonden. De vervangende investeringen worden niet door de bv zelf gedaan, maar door andere maatschappijen van de fiscale eenheid. In haar aangifte vpb 2019 past de bv de kwijtscheldingswinstvrijstelling toe voor het volledige bedrag van de kwijtschelding. In geschil is of zij aanspraak heeft op die vrijstelling.
HIR-dotatie telt mee bij zelfstandige winstbepaling
Rechtbank Den Haag oordeelt dat bij de zelfstandige winstbepaling op grond van artikel 15ac lid 2 Wet Vpb de dotatie aan de HIR bij de bv in aanmerking moet worden genomen. De bv stelt dat de HIR buiten beschouwing moet blijven, omdat de vervangende investeringen door andere fe-maatschappijen zijn gedaan en zij zonder fiscale eenheid geen HIR had kunnen vormen. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Uit de aard van de zaak volgt dat de HIR wordt gevormd bij de maatschappij die de boekwinst heeft behaald — in dit geval de bv als vennoot van B VoF. Bovendien bestond C BV in 2018 nog niet, zodat toerekening van de HIR-dotatie in dat jaar aan C BV zich niet laat denken. De rechtbank vindt bevestiging in artikel15ah lid 4 Wet Vpb.
Verrekenbare verliezen blokkeren de vrijstelling
Met inachtneming van de HIR-dotatie bedraagt de zelfstandige winst van de bv voor 2018 € 107.103. Na dat jaar resteert nog € 727.714 aan verrekenbare verliezen. Die overtreffen de kwijtscheldingswinst plus het overige resultaat in 2019, zodat de kwijtscheldingswinstvrijstelling niet van toepassing is en het beroep tegen de aanslag ongegrond is. De in rekening gebrachte belastingrente wordt wel verminderd. De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 geoordeeld dat het vanaf 1 januari 2022 geldende percentage van 8% voor de vpb onevenredig hoog is en het Besluit belasting- en invorderingsrente in zoverre onverbindend is. De rechtbank vermindert de belastingrente van € 16.115 tot € 10.590.
Wet: art. 3.13 Wet IB 2001; art. 15ac en art. 15ah Wet Vpb 1969
Bron: Rechtbank Den Haag, 10-02-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3556, 24_3762 | NDFR
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!





Geef een reactie