De Hoge Raad oordeelt dat magische truffels niet kwalificeren als voedingsmiddelen voor menselijke consumptie. Doorslaggevend is dat zij niet worden gegeten om het lichaam van voedingsstoffen te voorzien, maar vanwege hun hallucinerende werking.
Een bv verkoopt zogenoemde magische truffels. Deze bevatten psilocybine en psilocine en veroorzaken bij consumptie psychedelische effecten. De truffels worden doorgaans rauw en in kleine hoeveelheden geconsumeerd. De bv voldoet over 2020 en 2021 btw naar het algemene tarief, maar maakt bezwaar en stelt dat de levering onder het verlaagde tarief valt als voedingsmiddel in de zin van post a.1 van Tabel I bij de Wet OB 1968. De inspecteur wijst het bezwaar af en wijst daarbij ook op een eerder gepubliceerd standpunt over de btw-behandeling van dergelijke producten. In geschil is of magische truffels kwalificeren als voedingsmiddelen voor menselijke consumptie.
Consumptiedoel is bepalend
De Hoge Raad sluit aan bij de uitleg van het Hof van Justitie over het begrip voedingsmiddelen. Producten moeten voedingsstoffen bevatten die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het menselijk organisme én met dat doel worden geconsumeerd. Het hof heeft vastgesteld dat magische truffels wel voedingsstoffen bevatten, maar dat deze slechts in verwaarloosbare hoeveelheden worden ingenomen. De consumptie is gericht op de psychedelische effecten. De Hoge Raad laat dit feitelijke oordeel van het hof in stand, omdat het niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Daarmee is geen sprake van een voedingsmiddel in de zin van het verlaagde tarief.
Geen beroep op paddo-arresten
De bv beroept zich op eerdere arresten over paddo’s. De Hoge Raad volgt dit niet. De arresten uit 2014 zien op de uitleg van een andere tabelpost (pootgoed) en bieden daarom geen steun. Het arrest uit 2015 over paddo’s maakt dit niet anders, omdat het hof in deze zaak mocht oordelen dat magische truffels zich feitelijk onderscheiden door de wijze van consumptie. Bovendien bestond ten tijde van de aangiften al onduidelijkheid over de btw-behandeling van deze producten, onder meer door latere rechtspraak en prejudiciële vragen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Wet: art. 9, lid 2, onderdeel a Wet OB 1968 en post a.1 Tabel I
Bron: Hoge Raad 10 april 2026 (gepubliceerd 10 april 2026), ECLI:NL:HR:2026:450, 23/03016





Geef een reactie