De Hoge Raad oordeelt dat een pauzedrankje bij een theatervoorstelling geen bijkomende prestatie is bij het verlenen van toegang tot het theater. Voor alcoholhoudende drankjes geldt daarom het algemene btw-tarief, ook als het drankje in de toegangsprijs is inbegrepen.
Een stichting exploiteert een theater en verleent tegen betaling toegang tot theatervoorstellingen. In de toegangsprijs is standaard één drankje tijdens de pauze inbegrepen. Bij aanvang van de pauze staan drankjes klaar waaruit bezoekers vrij kunnen kiezen, waaronder alcoholische en alcoholvrije dranken. Bezoekers kunnen daarnaast voor, tijdens of na de voorstelling extra drankjes kopen in het theatercafé. De stichting past over de volledige toegangsprijs het verlaagde btw-tarief toe. Volgens haar is het pauzedrankje een bijkomende prestatie bij de hoofdprestatie – het verlenen van toegang tot de voorstelling – en moet het daarom hetzelfde btw-tarief volgen. De inspecteur is het daar niet mee eens en legt over de jaren 2015 tot en met 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting op.
Pauzedrankje geen bijkomende prestatie
De Hoge Raad stelt voorop dat prestaties voor de btw in beginsel afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Alleen wanneer een element geen doel op zich is voor de gemiddelde afnemer en slechts dient om optimaal gebruik te maken van de hoofdprestatie, kan sprake zijn van een bijkomende prestatie. In dit geval heeft het pauzedrankje volgens de Hoge Raad een eigen betekenis voor de bezoeker. Het nuttigen van een drankje is niet noodzakelijk voor het bijwonen van de voorstelling en vindt bovendien plaats tijdens de pauze, dus buiten de voorstelling zelf. Daarom kan het drankje niet worden gezien als een middel om optimaal van de theatervoorstelling gebruik te maken. De verstrekking van het drankje vormt dus een zelfstandige prestatie.
Alcoholisch drankje belast tegen algemeen tarief
Omdat het pauzedrankje geen bijkomende prestatie is, deelt het niet in het verlaagde btw-tarief dat geldt voor toegang tot theatervoorstellingen. Voor zover het drankje alcohol bevat, is het volgens de Wet OB belast tegen het algemene btw-tarief. Het beroep van de stichting op het gelijkheidsbeginsel slaagt ook niet. Garderobegebruik en reserveringskosten hebben namelijk een andere functie: zij maken het mogelijk of gemakkelijker om de voorstelling bij te wonen. Dat geldt niet voor het pauzedrankje. De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van het hof en bevestigt de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Wet: art. 9 Wet OB 1968
Bron: Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:280, 23/04337 | NDFR





Geef een reactie