Een dga die schulden van zijn bv aan zijn kinderen overneemt en vervolgens prijsgeeft, doet daarmee geen informele kapitaalstorting. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch handelt hij vooral vanuit het privébelang van zijn kinderen en niet als aandeelhouder.
Een dga is enig aandeelhouder van een vastgoed-bv die jarenlang procedeert over een vastgoedportefeuille. Omdat de liquiditeiten opraken, lenen zijn drie kinderen in 2011 en 2012 geld aan de bv om de procedure te financieren. In 2015 vestigt de dga tweede pandrechten op zijn huurinkomsten ten gunste van twee kinderen. Nadat de bv de procedure verliest, heeft zij vrijwel geen bezittingen meer en een fors negatief vermogen. Vlak voor de turboliquidatie in 2019 neemt de dga de schulden van de bv aan zijn kinderen van in totaal € 114.635 over. Zijn daardoor ontstane vorderingen op de bv geeft hij vervolgens prijs. Hij stelt dat daardoor zijn verkrijgingsprijs van de aandelen en daarmee zijn verlies uit aanmerkelijk belang moet toenemen.
Pandrechten vormen geen kapitaalstorting
Het hof oordeelt dat de pandrechten uit 2015 niet als informele kapitaalstorting kunnen gelden. Op de huurinkomsten lag destijds al beslag, waardoor de pandrechten weinig of geen waarde hadden. De dga maakt bovendien niet aannemelijk dat zijn kinderen zonder de zekerheden hun leningen zouden hebben opgeëist en dat dit tot een faillissement van de bv zou hebben geleid. Daarmee is onvoldoende verband aanwezig tussen het verstrekken van de pandrechten en het belang van de bv. De pandrechtverlening verhoogt daarom de verkrijgingsprijs van de aandelen niet.
Privébelang staat voorop bij schuldoverneming
Ook de schuldoverneming in 2019 vormt volgens het hof geen informele kapitaalinbreng. Op dat moment heeft de bv de procedure verloren, zijn de vorderingen van de kinderen feitelijk waardeloos en staat vast dat de bv wordt geliquideerd. Niet aannemelijk is dat de dga de schulden vooral overneemt in het belang van de bv. Het belang om zijn kinderen niet met het verlies te laten zitten weegt duidelijk zwaarder. Ook het voorkomen van reputatieschade bij zijn eigen financiers betreft zijn privébelang en niet het belang van de bv. Van een zakelijk verlies uit overige werkzaamheden of terbeschikkingstelling is evenmin sprake. Het hoger beroep is ongegrond.
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 02-09-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2348, 25/1692 | NDFR





Geef een reactie