Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat een bv te veel in rekening gebrachte rente op een lening aan haar dga niet via de foutenleer kan corrigeren in het oudste openstaande jaar. Er is geen sprake van een balansfout maar hooguit van een onjuiste winstberekening, en ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Een bv verstrekt in 1999 een rekening-courantkrediet aan haar enig aandeelhouder en bestuurder. De jaarlijks berekende rente wordt vanaf 2001 bijgeschreven op de vordering op de aandeelhouder. In de aangifte Vpb 2019 verwerkt de bv een buitengewone last van € 48.703 wegens een herberekening van de rente over 2015 tot en met 2018. De inspecteur accepteert deze correctie. Kort na het vaststellen van de aanslag stelt de bv dat ook over eerdere jaren te veel rente is berekend. Zij wil daarom met toepassing van de foutenleer een aanvullende last van primair € 232.248 en subsidiair € 115.493 in aanmerking nemen. Daarnaast stelt zij dat de aandeelhoudersvordering en een pensioenvoorziening ten onrechte op de balans staan.
Geen balansfout door te hoge rente
De rechtbank wijst toepassing van de foutenleer af. Die leer is bedoeld om fouten in de eindbalans van een eerder jaar te herstellen en zo te voorkomen dat winst onbelast blijft of dubbel wordt belast. Daarvan is hier geen sprake. Als de in eerdere jaren berekende rente onzakelijk hoog zou zijn geweest, zou een verlaging van de winst tegenover een informele kapitaalstorting door de aandeelhouder staan. Het eindvermogen verandert daardoor niet. Er is volgens de rechtbank dan ook geen balansfout, maar hooguit een fout in de fiscale winstberekening van eerdere jaren. De aanvullende buitengewone last kan daarom niet in 2019 worden genomen.
Geen vertrouwen en geen vrijval
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Dat de inspecteur de correctie over 2015 tot en met 2018 accepteert, betekent niet dat hij daarmee ook correcties over eerdere jaren aanvaardt. Die eerdere jaren waren op dat moment niet door hem beoordeeld. Verder maakt de bv niet aannemelijk dat de aandeelhoudersvordering waardeloos is geworden of van de balans had moeten verdwijnen. Ook de pensioenvoorziening blijft staan. De pensioenuitkering kan nog worden verrekend met de schuld van de aandeelhouder aan de bv en niet blijkt dat de aandeelhouder zijn pensioenrechten heeft prijsgegeven. Het beroep is ongegrond.
Wet: art. 8 Wet Vpb 1969 jo. art. 3.25 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 30-06-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9007, HAA – 25 _ 2868 | NDFR





Geef een reactie