De staatssecretaris van Financiën trekt zijn beroep in cassatie in. Als toelichting wordt het volgende opgemerkt:
Het Hof is van oordeel dat ingevolge artikel 30fc, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven (in casu 1 juli 2021) en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, onderscheidenlijk de navorderingsaanslag, invorderbaar is, zodat de laatste dag van het tijdvak 2 december 2021 is.
’s Hofs oordeel dat het tijdvak eindigt op 2 december 2021 is volgens de staatssecretaris niet juist. Belastingrente wordt ingevolge artikel 30fc, tweede lid, van de AWR berekend over het tijdvak dat eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 (IW 1990). In artikel 9 van de IW 1990 is bepaald dat een belastingaanslag invorderbaar is 6 weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. In het onderhavige geval moet worden uitgegaan van 6 weken na 22 oktober 2021. Dan is de aanslag op 4 december 2021 invorderbaar en is voor de renteberekening de einddatum 3 december 2021. Het Hof, dat uitgaat van de einddatum 2 december 2021, is kennelijk van oordeel dat de aanslag op 3 december 2021 invorderbaar is. Dat oordeel getuigt van een onjuiste toepassing van artikel 9, eerste lid, van de IW 1990. In casu heeft dat ertoe geleid dat het Hof voor de renteberekening uitgaat van een tijdvak van 152 dagen in plaats van 153 dagen en dat het Hof het rentebedrag € 5 te laag heeft vastgesteld.
Uit proceseconomische overwegingen legt de staatssecretaris zich alsnog neer bij de uitspraak van het Hof en zal hij zijn pro forma beroep in cassatie intrekken.
Bron: Toelichting nr. 2026-220933, Ministerie van Financien, 1juni 2026





Geef een reactie