Rechtbank Den Haag oordeelt dat de BOR niet geldt voor het deel waarmee het indirecte belang in een onderneming binnen vijf jaar vóór de schenking is uitgebreid. Door de inkoop van aandelen stijgt de subjectieve gerechtigdheid van 80% naar 100%, zodat voor 20% een nieuwe bezitstermijn gaat lopen.
Een dga houdt via zijn bv een belang van 80% in een vennootschap die diverse werkmaatschappijen met een onderneming houdt. Het resterende belang van 20% is indirect in handen van derden. Op 15 december 2020 koopt de vennootschap dit 20%-belang in, waardoor het indirecte belang van de dga stijgt van 80% naar 100%. In het kader van een bedrijfsopvolgingstraject schenkt de dga op 8 september 2023 alle aandelen in een nieuw opgerichte vennootschap aan de verkrijger. In de aangifte schenkbelasting wordt voor de volledige schenking een beroep gedaan op de BOR. De inspecteur past de BOR alleen toe voor 80% en weigert de regeling voor de uitbreiding van 20%. In geschil is of die uitbreiding leidt tot een nieuwe bezitstermijn.
Subjectieve gerechtigdheid uitgebreid
De rechtbank oordeelt dat voor de BOR bij schenking van aanmerkelijkbelangaandelen een dubbele bezitseis geldt. De schenker moet de aandelen vijf jaar houden en het lichaam waarvan de aandelen worden geschonken moet de toegerekende onderneming vijf jaar drijven. Die indirecte bezitseis moet per objectieve onderneming worden beoordeeld. Vóór de inkoop kan de onderneming slechts voor 80% aan de dga worden toegerekend. Na de inkoop bedraagt dit 100%. Volgens de rechtbank is daarom sprake van een uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid tot dezelfde objectieve onderneming. Dat het aandelenpakket van de dga zelf niet wijzigt, maakt niet uit. Beslissend is het relatieve belang in de onderneming.
Geen vertrouwen door vooroverleg
Voor de uitbreiding van 20% gaat volgens de rechtbank een nieuwe bezitstermijn lopen. Omdat tussen de inkoop op 15 december 2020 en de schenking op 8 september 2023 nog geen vijf jaar is verstreken, is voor dat deel niet voldaan aan de indirecte bezitseis. De verkrijger kan voor die 20% dus geen BOR toepassen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De verkrijger onderbouwt niet dat de inspecteur tijdens het vooroverleg het vertrouwen heeft gewekt dat de BOR voor de volledige schenking zou gelden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wet: art. 35b, art. 35c en art. 35d SW 1956
Bron: Rechtbank Den Haag, 07-04-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8337, SGR 25/5345 | NDFR





Geef een reactie