Rechtbank Gelderland oordeelt dat een Curaçaose vennootschap in Nederland is gevestigd omdat de werkelijke leiding daar werd uitgeoefend. De boeten worden vernietigd omdat de aandeelhouder mocht vertrouwen op zijn fiscaal adviseur.
De zaak draait om een naar Curaçaos recht opgerichte vennootschap die onderdeel is van een internationale structuur rond een in Nederland wonende aandeelhouder. De vennootschap houdt zich voornamelijk bezig met het verstrekken van leningen en het beheren van vermogen. Formeel wordt zij bestuurd door een trustkantoor op Curaçao. De inspecteur stelt na een uitgebreid vestigingsplaatsonderzoek dat de feitelijke beslissingen over investeringen, leningen en herstructureringen in werkelijkheid door de aandeelhouder vanuit Nederland worden genomen, samen met zijn adviseurs. Daarom legt de inspecteur navorderingsaanslagen vpb over de jaren 2013 tot en met 2017 op en herziet hij het verlies over 2018. Ook legt hij vergrijpboeten op. De vennootschap betwist dat zij in Nederland is gevestigd en stelt daarnaast dat de boeten en de verliesherziening onterecht zijn.
Werkelijke leiding door aandeelhouder in Nederland
Rechtbank Gelderland stelt voorop dat beslissend is waar de kernbeslissingen over de activiteiten van de vennootschap worden genomen. Uit e-mails, presentaties en overeenkomsten leidt de rechtbank af dat de aandeelhouder zelf de doorslaggevende instructies geeft, onder meer bij het verstrekken van leningen aan zichzelf en bij herstructureringen van het vermogen. Het trustkantoor voert vooral administratieve taken uit. De rechtbank acht aannemelijk dat deze beslissingen in Nederland zijn genomen. Daarmee ligt de werkelijke leiding in de jaren 2013 tot en met 2017 in Nederland en is de vennootschap hier belastingplichtig voor de vpb. De navorderingsaanslagen zijn volgens de rechtbank terecht en niet te hoog vastgesteld.
Geen boeten en geen verliesherziening 2018
Hoewel de navorderingsaanslagen in stand blijven, vernietigt de rechtbank de vergrijpboeten. De vennootschap mocht afgaan op adviezen van een gerenommeerd belastingadvieskantoor en hoefde zich niet zelfstandig te verdiepen in de vestigingsplaatsvraag. Van opzet of grove schuld is daarom geen sprake. Ook de verliesherzieningsbeschikking over 2018 houdt geen stand. De inspecteur beschikte al bij het vaststellen van de oorspronkelijke verliesbeschikking over alle relevante informatie. Er is geen nieuw feit en ook geen kwade trouw. De rechtbank vernietigt daarom de verliesherziening.
Wet: art. 4 en art. 16 AWR
Bron: Rechtbank Gelderland, 12-12-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10888, AWB 23_4531 | NDFR






Geef een reactie