Hof Den Haag oordeelt dat een WOZ-beschikking niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM en artikel 13 EVRM, en rechtsgeldig is ondanks dagtekening op zondag. De heffingsambtenaar hoeft bij het vaststellen van de WOZ-waarde geen rekening te houden met een eerder compromis.
Een vrouw is eigenaar van een woning uit 1907 in Rotterdam. Voor 2023 stelt de heffingsambtenaar de WOZ-waarde op € 534.000 vast. De vrouw maakt bezwaar en stelt dat de WOZ-systematiek in strijd is met artikel 1 EP bij het EVRM. Zij betoogt ook dat de heffingsambtenaar rekening had moeten houden met een eerder voor 2019 gesloten compromis over de WOZ-waarde. Daarnaast voert zij aan dat de WOZ-beschikking 2020 niet rechtsgeldig is omdat deze gedateerd is op zondag 15 maart 2020. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en de vrouw gaat in hoger beroep.
Wet WOZ niet in strijd met EVRM
Het hof wijst erop dat de wetgever bij belastingheffing een ruime beoordelingsmarge heeft. De Wet WOZ en de onroerende-zaakbelastingen zijn niet in strijd met het eigendomsrecht, het discriminatieverbod of het evenredigheidsbeginsel. De WOZ-waarde wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld op basis van verkopen van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum. De WOZ-waarde in voorgaande jaren en een eerder compromis spelen geen rol. De heffingsambtenaar hoefde dus geen rekening te houden met het voor 2019 bereikte compromis. Tot slot stelt het hof vast dat in Nederland geen rechtsregel bestaat die zich verzet tegen het dateren van een aanslagbiljet op een zondag. De vrouw had tijdig bezwaar moeten maken tegen de WOZ-beschikking 2020, maar dat heeft zij niet gedaan. Die beschikking is daarom onherroepelijk vast komen te staan.
Wet: art. 22 Wet WOZ, art. 1 EP EVRM en art. 13 EVRM
Bron: Gerechtshof Den Haag, 23-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2595, BK-24/897 | NDFR





Geef een reactie