Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat een bv ondanks eerdere uitspraken niet in Nederland gevestigd is, omdat het Luxemburgse bestuur de werkelijke leiding uitoefent. De inspecteur toont voor 2018 en 2019 niet aan dat kernbeslissingen vanuit Nederland worden genomen.
Een in 1989 naar Nederlands recht opgerichte bv verplaatst haar statutaire zetel in 2010 naar Luxemburg. De enig aandeelhouder is een stichting waarvan de dga alle certificaten houdt. De dga en zijn echtgenote schrijven zich eind 2009 uit in Nederland en vestigen zich in Luxemburg. De bv keert eind 2011 een dividend van € 10 miljoen uit. In 2018 en 2019 treedt een Luxemburgse vennootschap op als bestuurder. Die bestuurder heeft met de dga een overeenkomst gesloten waarin staat dat de bestuurder instructies van de dga mag uitvoeren zonder onderzoek naar noodzaak of juistheid, en dat aansprakelijkheid is uitgesloten. De bv dient nihilaangiften vpb in over 2018 en 2019. De inspecteur legt echter aanslagen op en stelt dat de werkelijke leiding in Nederland ligt, omdat de dga en zijn adviseur vanuit Nederland de kernbeslissingen zouden nemen. In eerdere procedures over de jaren 2011 tot en met 2015 is geoordeeld dat de feitelijke leiding in Nederland lag.
Geen omkering bewijslast zonder NL-woonplaats
De rechtbank stelt voorop dat omkering en verzwaring van de bewijslast alleen aan de orde is als vaststaat dat de bv voor verdragsdoeleinden in Nederland woont. Dat is hier niet het geval. Vaststaat dat de bv in Luxemburg is ingeschreven en daar ook daadwerkelijk in de belastingheffing is betrokken. De inspecteur toont niet aan dat die Luxemburgse heffing is gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens. Daarom geldt de bv als inwoner van zowel Nederland als Luxemburg en moet de verdragsmatige ‘tiebreaker’ worden toegepast: waar ligt de plaats van werkelijke leiding?
Kernbeslissingen niet aannemelijk in Nederland
Volgens de rechtbank rust de bewijslast bij de inspecteur om aannemelijk te maken dat de kernbeslissingen in 2018 en 2019 in Nederland zijn genomen. De inspecteur verwijst vooral naar oude feiten en FIOD-stukken uit eerdere jaren. Actuele aanwijzingen ontbreken. Uit het dossier blijkt juist dat bestuurs- en aandeelhoudersvergaderingen in Luxemburg plaatsvinden en dat Luxemburgse bestuurders de jaarrekeningen vaststellen en aangiften indienen. Dat de dga instructies kón geven, betekent niet dat hij dat in deze jaren ook deed. Omdat de inspecteur geen actuele feiten aandraagt, oordeelt de rechtbank dat de werkelijke leiding in Luxemburg lag. De aanslagen Vpb 2018 en 2019 worden verminderd tot nihil.
Wet: art. 4 Verdrag Nederland-Luxemburg
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 26-11-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14315, AWB – 24 _ 7411 | NDFR






Geef een reactie