Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat een bv een in 2016 kwijtgescholden vordering niet alsnog in 2019 mag afwaarderen via de foutenleer. Ook een liquidatieverlies op een Amerikaanse dochter komt niet in aftrek, omdat de vereffening niet is voltooid.
Een fiscale eenheid houdt zich bezig met het ontwikkelen en financieren van innovatieve technieken. Zij heeft een belang van 47,06% in een bv en verstrekt daaraan leningen. In 2016 scheldt de fiscale eenheid een zakelijke vordering van € 601.019 kwijt, maar brengt zij de afwaardering niet in aftrek in haar aangifte vennootschapsbelasting 2016. Daarnaast houdt zij alle aandelen in een Amerikaanse entiteit, waaraan zij een lening heeft verstrekt. In de aangifte Vpb 2019 neemt de fiscale eenheid alsnog kosten op voor de kwijtgescholden vordering en een negatieve waardeverandering van de vordering op de Amerikaanse entiteit. De inspecteur corrigeert beide posten. In geschil is vooral of de fiscale eenheid deze verliezen in 2019 alsnog kan nemen.
Foutenleer helpt bv niet
De rechtbank stelt vast dat de vordering op de bv na 2016 niet meer op de fiscale balans staat. Daardoor is geen sprake van een fout die doorwerkt in de balanswaardering. De foutenleer is bedoeld om te voorkomen dat winst onbelast blijft of dubbel wordt belast doordat het eindvermogen van een voorafgaand jaar onjuist is vastgesteld. Omdat hier vanaf 2017 geen balanspost meer bestaat, kan de fout uit 2016 niet via de foutenleer in 2019 worden hersteld. Ook mag het opgeofferde bedrag voor de aandelen in de bv niet worden verhoogd met het bedrag van de kwijtschelding. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de vordering zakelijk is en dat de kwijtschelding zakelijke gronden heeft.
Geen voltooid liquidatieverlies
Ook het beroep op een liquidatieverlies voor de Amerikaanse entiteit slaagt niet. De fiscale eenheid maakt wel aannemelijk dat de entiteit in 2017 is ontbonden, maar niet dat de vereffening in 2017 of 2019 is voltooid. Voor aftrek van een liquidatieverlies is voltooiing van de vereffening vereist. De enkele stelling dat daarvan sprake is, is onvoldoende. Een afwaardering van de vordering op de Amerikaanse entiteit is evenmin mogelijk, omdat vaststaat dat deze vordering een onzakelijke lening is. De aanslag vennootschapsbelasting blijft daarom in stand. Wel verlaagt de rechtbank de belastingrente, omdat het percentage van 8% na het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 moet worden teruggebracht naar 4%.
Wet: Artikel 13d – Wet op de vennootschapsbelasting 1969 | NDFR
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 24-02-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3217, HAA 24/5490 | NDFR





Geef een reactie