Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een Canadese trust geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting. De trust drijft volgens het hof een commerciële effectenhandel en arbitrageonderneming en kwalificeert daarom niet als vrijgesteld pensioenfonds.
Een naar Canadees recht ingestelde trust is door de Canadese fiscus aangemerkt als geregistreerd pensioenfonds. Aan de pensioenregeling neemt één werknemer deel. De trust houdt in 2014 een rekening aan bij een partij in het Verenigd Koninkrijk en verricht via een samenwerkingsovereenkomst met een groepsvennootschap activiteiten met aandelen en derivaten. Zij ontvangt in 2014 dividenden op aandelen, waarop Nederlandse dividendbelasting wordt ingehouden. In 2015 vraagt de trust teruggaaf van die dividendbelasting. De inspecteur verleent de teruggaaf, maar legt na nader onderzoek een naheffingsaanslag dividendbelasting over 2014 op. In geschil is vooral of de trust, als zij in Nederland was gevestigd, zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting als pensioenfonds.
Geen zuiver pensioenfonds
Het hof stelt vast dat de trust actief deelneemt aan het beursverkeer en met cash-and-carry-achtige transacties meer doet dan normaal, passief vermogensbeheer. De kosten, risico’s en opbrengsten gaan volgens het hof aanzienlijk verder dan bij een gewone belegger. Daarbij weegt mee dat de trust slechts één deelnemer heeft, dat de pensioenbijdrage beperkt is en dat zij voor grote effectenposities over andere middelen dan premiegelden moet hebben beschikt. Ook verklaart een betrokkene dat de activiteiten gelijk zijn aan die van een stichting waarvan al vaststaat dat zij een commerciële effectenhandel en arbitrageonderneming drijft. De trust stelt zich daarom niet nagenoeg uitsluitend een pensioendoel ten doel en voldoet ook niet aan de werkzaamhedentoets.
Naheffing heeft wettelijke basis
Ook het beroep op het Unierecht slaagt niet. De trust maakt niet aannemelijk dat de Nederlandse dividenden voor haar zwaarder worden belast dan bij een vergelijkbare Nederlandse vennootschapsbelastingplichtige. Dat het resultaat in Canada aan de pensioenreserve moet worden toegevoegd, betekent nog niet dat voor Nederlandse fiscale winstbepaling sprake is van rechtstreeks met de dividenden samenhangende kosten. Verder mag de inspecteur naheffen op grond van art. 20 AWR. De trust is namelijk degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond.
Wet: art. 10 Wet DB 1965, art. 5 Wet Vpb 1969 en art. 20 AWR
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 20-05-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1261, 25/170 | NDFR





Geef een reactie