De uitzondering voor vastgoed in de nieuwe vermogensbelasting kost de schatkist de komende dertig jaar zo’n € 42 miljard.
Staatssecretaris Heijnen geeft antwoord op Kamervragen over de vermogenswinstbelasting voor vastgoed in box 3.
Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt voorgesteld om met ingang van 1 januari 2028 het werkelijke rendement in box 3 te belasten. De belasting wordt als hoofdregel vormgegeven als een vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen geldt als uitzondering op de hoofdregel een vermogenswinstbelasting.
Voor de uitzondering voor vastgoed is inmiddels een gedetailleerde raming gemaakt. Hieruit blijkt dat het cumulatieve budgettaire belang van een vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen in de eerste tien jaar uitkomt op circa € 23 miljard , en in de eerste dertig jaar op zo’n € 42 miljard. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal is vormgegeven.
Als onderbouwing van de doelmatigheid verwijst het kabinet naar de balans die in het wetsvoorstel is gezocht tussen uitvoerbaarheid en doenlijkheid, het evenwichtig belasten van verschillende vermogensbestanddelen en het zo goed als mogelijk aansluiten bij het werkelijke rendement. Voor onroerende zaken is daarom gekozen voor een vermogenswinststelsel en een forfaitaire vastgoedbijtelling. Als onroerende zaken onder de vermogensaanwasbelasting zouden vallen, zou dit bij grote, ongerealiseerde waardestijgingen voor een beperkt aantal belastingplichtigen tot liquiditeitsproblemen en mogelijk schuldproblematiek kunnen leiden. Dat wil het kabinet zo veel mogelijk voorkomen en daarom is gekozen voor de systematiek van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken.
Zie ook: GroenLinks-PvdA wil vastgoedbeleggers belasten over waardestijging





Geef een reactie