Staatssecretaris Heijnen informeert de Tweede Kamer over de afgeronde evaluatie van de CO2-heffing industrie en de CO2-minimumprijs elektriciteitsopwekking.
De evaluatie concludeert dat de CO₂-heffing voor de industrie in opzet een logisch instrument is om extra emissiereducties bovenop het EU-ETS af te dwingen, maar dat de huidige vormgeving onvoldoende is om de nationale doelen voor 2030 zeker te halen. In 2021–2024 waren de feitelijke heffingskosten zeer beperkt, waardoor de heffing in die jaren nauwelijks directe invloed had op emissies of concurrentiepositie; het effect zat vooral in de verwachte, sterk stijgende kosten richting 2030, die bedrijven hebben aangezet tot het maken van verduurzamingsplannen en in enkele gevallen tot concrete investeringsbeslissingen. Tegelijkertijd is het tariefpad te laag om alle benodigde, duurdere maatregelen rendabel te maken, en zijn subsidies via SDE++ én infrastructuur- en vergunningenknelpunten ontoereikend, zodat de kans groot is dat het heffingsdoel niet wordt bereikt en dat de heffing uitmondt in lastenverzwaring en weglekrisico in plaats van extra verduurzaming.
Minimum CO2-prijs geen toegevoegde waarde
De minimum CO₂-prijs industrie blijkt in de praktijk geen toegevoegde waarde te hebben: de ETS-prijs lag steeds ruim boven het minimum, bedrijven houden er geen rekening mee, en de prikkel om ook binnen de vrijgestelde ruimte te reduceren bestaat al via handel in dispensatierechten en de carry‑backregeling van de CO₂-heffing. Bovendien staat het beprijzen van juist die vrijgestelde emissies haaks op de logica van een marginale heffing en kan een eventuele activering, zeker bij een hoger prijspad, de concurrentiepositie van Nederlandse (ook deels verduurzaamde) bedrijven verder verslechteren. Ook de minimum CO₂-prijs voor elektriciteitsopwekking heeft tot nu toe nauwelijks effect: de ETS-prijs ligt structureel hoger, marktpartijen noemen hoogstens een beperkt zekerheids- of signaaleffect, terwijl bij aanscherping risico’s bestaan op hogere kosten, meer import en druk op regelbaar vermogen en leveringszekerheid.
Aanbevelingen
De onderzoekers bevelen aan om voor de industrie fundamentele keuzes te maken: óf subsidies (zoals SDE++) substantieel verruimen, óf een hoger risico op krimp van industriële activiteit accepteren om de klimaatdoelen te halen. Verder moet het oplossen van infrastructuur- en vergunningenknelpunten prioriteit krijgen, omdat bedrijven anders geen handelingsperspectief hebben en de heffing slechts tot extra kosten leidt. De minimum CO₂-prijs industrie zouden zij het liefst volledig afschaffen en in plaats daarvan de geldigheidsduur van dispensatierechten verlengen en de liquiditeit van de DPR-markt vergroten, zodat de bestaande prikkel tot extra reductie beter werkt.
Opvolging van het onderzoek laat de staatssecretaris– gegeven de demissionaire status van het kabinet – graag aan het volgende kabinet.





Geef een reactie