Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat het verplichte fiscaal partnerschap niet in strijd is met het EVRM of het Eerste Protocol. De man kan zijn bezwaren over box 3 niet individueel aan de rechter voorleggen vanwege de massaal bezwaar plus-procedure.
Een man woont samen met zijn partner en staat het hele jaar 2018 op hetzelfde adres ingeschreven. Voor 2017 hebben zij elkaar al als fiscaal partner aangemerkt en ook voor 2018 worden zij als fiscaal partners behandeld. De inspecteur legt met dagtekening 17 oktober 2019 een aanslag ib/pvv 2018 op conform de aangifte, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.960 en een box 3-grondslag van € 1.497.993, waarvan € 1.151.895 aan de man wordt toegerekend. De man maakt geen bezwaar. Na het Kerstarrest verzoekt hij in 2023 om ambtshalve vermindering van de aanslag 2018. De inspecteur wijst dat verzoek af en splitst het bezwaar in een deel dat meeloopt in de massaal bezwaar plus-procedure en een deel met overige grieven. In geschil is of die splitsing terecht is en of het verplichte fiscaal partnerschap in strijd is met artikelen 8 en 14 EVRM en art. 1 EP.
Massaal bezwaar plus blokkeert inhoudelijke toets
De rechtbank Noord-Nederland stelt voorop dat de man geen tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2018. Daarom staat alleen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering ter beoordeling. De rechtsvraag of niet-bezwaarmakers alsnog rechtsherstel krijgen na het Kerstarrest, ligt voor in de massaal bezwaar plus-procedure. Volgens de rechtbank vallen de meeste beroepsgronden van de man onder die rechtsvraag. Dat hij zijn standpunt iets anders formuleert, maakt dat niet anders. De rechtbank mag en kan daar daarom niet inhoudelijk over oordelen.
Geen strijd met internationale verdragen
Ten aanzien van het verplichte fiscaal partnerschap oordeelt de rechtbank dat dit niet in strijd is met art. 1 EP en artikel 8 en 14 EVRM. De man en zijn partner kwalificeren op grond van artikel 5a AWR en artikel 1.2 Wet IB 2001 terecht als fiscaal partners, onder meer omdat zij elkaar voor de pensioenregeling als partner hebben aangemeld en op hetzelfde adres staan ingeschreven.
De wetgever heeft bewust gekozen voor een systeem van vergaande individualisering met een praktische regeling voor gemeenschappelijke inkomens- en vermogensbestanddelen. Partners kunnen deze onderling toerekenen in de aangifte. Gelet op de ruime beoordelingsmarge van de wetgever op fiscaal terrein en de objectieve criteria voor partnerschap, is geen sprake van strijd met internationale verdragen of Europees recht. Het beroep is ongegrond.
Wet: art. 5a AWR, art. 1.2 en art. 2.17 Wet IB 2001 en art. 1 EP EVRM
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 05-02-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:364, LEE 23/3521 en LEE 23/4639 | NDFR





Geef een reactie