De Hoge Raad oordeelt dat de bewijslast voor de WOZ-waarde in beginsel bij de heffingsambtenaar blijft, ook als een taxatiewijzer wordt gebruikt. Alleen als de eigenaar de richtsnoeren voor een specifiek punt aanvaardt en daarvan wil afwijken, rust de bewijslast op hem.
Een stichting is eigenaar van een gebouw voor middelbaar beroepsonderwijs uit 1987. De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde voor 2019 vast op € 10.189.000 en legt een aanslag onroerendezaakbelastingen op. Partijen zijn het erover eens dat de waarde moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde (artikel 17, lid 3, Wet WOZ). De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatierapport waarin hij aansluit bij de Taxatiewijzer Onderwijs en de bijbehorende kengetallen voor levensduur en restwaarde. De stichting bepleit een waarde van € 7.858.000 en stelt dat de restwaarde aan het einde van de levensduur nihil of zelfs negatief is. In geschil is of de waarde te hoog is vastgesteld en wie de bewijslast draagt voor de restwaarde.
Taxatiewijzer geen bindende regel
De Hoge Raad stelt voorop dat taxatiewijzers hulpmiddelen zijn en geen algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels. De wettelijke maatstaf van artikel 17 Wet WOZ blijft leidend. Of de kengetallen uit een taxatiewijzer kunnen worden toegepast, hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor de WOZ-waarde gelden de normale regels van stelplicht en bewijslast: in beginsel moet de heffingsambtenaar aannemelijk maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Dat geldt ook bij waardering op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde.
Afwijking alleen bij aanvaarding uitgangspunt
Volgens de Hoge Raad kan de bewijslast verschuiven als een partij de taxatiewijzer voor een bepaald waarderingsaspect als uitgangspunt aanvaardt en vervolgens stelt dat daarvan moet worden afgeweken. In dat geval moet die partij de afwijking onderbouwen. Maar hier heeft de stichting de kengetallen voor de restwaarde juist uitdrukkelijk bestreden. Het hof heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de stichting moest bewijzen dat de restwaarde nihil is. De bewijslast blijft in dat geval bij de heffingsambtenaar. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en verwijst de zaak naar Hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Wet: art. 17 Wet WOZ
Bron: Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:234, 22/03412 | NDFR




Geef een reactie