De Hoge Raad oordeelt dat de rechter ruime vrijheid heeft om proceskostenvergoedingen te matigen. De rechter hoeft de omvang van die matiging niet afzonderlijk te motiveren.
Een man procedeert over de WOZ-beschikking 2021 van zijn woning. In hoger beroep bij Hof Amsterdam krijgt hij op één punt gelijk: hij heeft recht op vergoeding van het griffierecht vanwege een toegekende immateriële schadevergoeding. Het hof kent daarnaast een proceskostenvergoeding toe voor rechtsbijstand, maar wijkt af van het standaard puntensysteem uit het Besluit proceskosten bestuursrecht. Vanwege de eenvoud van de zaak, het beperkte financiële belang (€ 50) en het feit dat de gemachtigde dezelfde grief vaker gebruikt, matigt het hof de vergoeding tot € 60. De man vindt deze matiging te ver gaan.
Grote vrijheid bij matiging
De Hoge Raad oordeelt dat het hof artikel 2, lid 2 en 3, Besluit proceskosten bestuursrecht juist toepast. De rechter heeft bij het matigen van proceskostenvergoedingen een ruime beoordelingsvrijheid. Daarbij mag hij rekening houden met factoren zoals de eenvoud van de zaak en de werkbelasting voor de gemachtigde.
Volgens de Hoge Raad hoeft de rechter niet afzonderlijk te motiveren waarom hij tot een bepaald bedrag matigt. Alleen als de matiging evident onredelijk is, wordt die vrijheid overschreden. Daarvan is hier geen sprake. Het cassatieberoep faalt en de uitspraak van het hof blijft in stand.
Wet: art. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
Bron: Hoge Raad, 24-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:721, 25/00094 | NDFR





Geef een reactie