De Kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen heeft de vraag beantwoord of een beperkte slotuitkering bij beëindiging van een nabestaandenpensioen bij hertrouwen van de weduwe/weduwnaar in de weg staat aan toepassing van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
X is een naar het recht van land Y opgericht en feitelijk aldaar gevestigd pensioenlichaam. De werkzaamheden van X bestaan uit het uitvoeren van een pensioenregeling voor werknemers en gewezen werknemers, hun partners en hun kinderen. De pensioenregeling voorziet in de mogelijkheid tot het doen van een slotuitkering van maximaal 24 maal het maandbedrag bij de beëindiging van het nabestaandenpensioen in geval van het hertrouwen van de weduwe/weduwnaar van de overleden werknemer.
In het kader van de uitvoering van de pensioenregeling belegt X in Nederlandse aandelen, waarbij op uitgekeerd dividend dividendbelasting is ingehouden. X verzoekt om een teruggaaf van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting (artikel 10, tweede/derde lid van de Wet op de dividendbelasting 1965).
Om in aanmerking te komen voor deze teruggaafregeling, is onder meer vereist dat belanghebbende, als zij in Nederland zou zijn gevestigd, subjectief zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting (artikel 5, eerste lid, onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 juncto artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971).
Het beleid hierover is opgenomen in de onderdelen 3.3 en 3.4 van het beleidsbesluit van 25 november 2019, nr. 2019-187751, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 juli 2022, nr. 2022-8874. In het kader van de beoordeling of aan dit beleid is voldaan, is de volgende vraag opgekomen.
Vraag
Staat een slotuitkering bij beëindiging van het nabestaandenpensioen bij het hertrouwen van de weduwe/weduwnaar van de overleden werknemer in de weg aan de toepassing van de subjectieve vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969?
Antwoord
Nee, deze eenmalige uitkering bij beëindiging van het nabestaandenpensioen staat niet in de weg aan de toepassing van de subjectieve vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969. Om voor deze subjectieve vrijstelling in aanmerking te komen is uiteraard wel vereist dat aan alle voorwaarden van onderdeel 3.3 van voormeld besluit wordt voldaan. De beoordeling hiervan is voorbehouden aan de bevoegde inspecteur.





Geef een reactie