De staatssecretaris van Financiën heeft documenten (deels) openbaar gemaakt over de inbreng van VNO-NCW en de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB bij de keuze voor vermogensaanwasbelasting als hoofdregel.
De NVB pleit consequent voor een VAB. Volgens de banken is een VWB technisch en administratief aanzienlijk ingewikkelder. Zij wijzen op de noodzaak van kostprijsadministraties, uitgebreide IT-aanpassingen, uniforme gegevensuitwisseling tussen banken, verwerking van complexe transacties (zoals aandelensplitsingen en fusies) en problemen bij portefeuilleoverdrachten. Ook zouden buitenlandse financiële instellingen de voor een VWB benodigde gegevens niet kunnen aanleveren, omdat Europese rapportageverplichtingen daarop niet zijn ingericht. Daarnaast vreest de NVB dat een VWB belastingplanning stimuleert, het aanbod van beleggingsfondsen kan beperken en de invoering aanzienlijk vertraagt.
VNO-NCW spreekt een voorkeur uit voor een vermogenswinstbelasting en wijst op de juridische kwetsbaarheid van forfaitaire systemen. Tegelijkertijd wordt erkend dat uitvoerbaarheid een belangrijk aandachtspunt is. VNO-NCW suggereert onder meer een gefaseerde invoering, waarbij eerst een VAB geldt en later wordt overgestapt op een VWB zodra de benodigde systemen beschikbaar zijn.
Uit de interne stukken blijkt dat het ministerie van Financiën de verschillende varianten uitvoerig heeft onderzocht. Daarbij zijn niet alleen juridische aspecten, zoals mogelijke staatssteun, maar ook uitvoerbaarheid, budgettaire gevolgen en de uitvoeringslast voor burgers en Belastingdienst meegewogen. Een belangrijk discussiepunt vormt de behandeling van niet-liquide beleggingen, zoals belangen in familiebedrijven. De NVB concludeert dat een hybride systeem, waarbij liquide beleggingen onder een VAB en niet-liquide beleggingen onder een VWB vallen, in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar is.




Geef een reactie