Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een uitkering uit een levensloopregeling terecht in 2021 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning is gerekend. Omdat de aanspraak niet vóór 1 november 2021 als loon in aanmerking is genomen, geldt op grond van het overgangsrecht een fictief genietingsmoment.
Een vrouw neemt deel aan een levensloopregeling. Eind 2020 bedraagt het saldo van haar polis € 6.491,93. In november 2021 keert de verzekeraar bruto € 8.631,62 uit, waarop € 3.202,33 loonheffing wordt ingehouden. In haar aangifte IB/PVV 2021 neemt de vrouw de uitkering niet op als inkomen. De inspecteur corrigeert haar belastbaar inkomen uit werk en woning daarom met € 8.631 en verhoogt de in aanmerking genomen loonheffing met € 3.203. De vrouw is het niet eens met deze correctie. In geschil is of de uitkering uit de levensloopregeling terecht tot haar inkomen over 2021 is gerekend.
Levensloopaanspraak belast in 2021
Het hof volgt het oordeel van de rechtbank. De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft, waarbij voor bestaande deelnemers overgangsrecht gold. Omdat de aanspraak van de vrouw niet vóór 1 november 2021 als loon in aanmerking is genomen, schrijft artikel 39d lid 4 Wet LB 1964 voor dat de waarde van de aanspraak op die datum als loon wordt belast. De vrouw ontvangt de uitkering bovendien daadwerkelijk in november 2021. Het door de inspecteur in aanmerking genomen bedrag van € 8.631 sluit aan bij zowel de gegevens van de verzekeraar als het overzicht van de Belastingdienst. Er bestaat daarom geen aanleiding aan de juistheid daarvan te twijfelen. Het hoger beroep is ongegrond.
Wet: art. 39d lid 4 Wet LB 1964
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5748, 25/2465 | NDFR





Geef een reactie