Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat een kwijtgescholden Tante Agaath-lening niet aftrekbaar is, omdat niet aannemelijk is dat de vordering op het moment van kwijtschelding oninbaar was. De inspecteur stelt het niet voor verwezenlijking vatbare deel terecht op nihil vast.
Een man verstrekt in november 2010 een lening van € 50.000 aan zijn zoon, die een onderneming in optische artikelen start. De lening wordt door de inspecteur geregistreerd als directe belegging in durfkapitaal (artikel 5.17 Wet IB 2001, tekst tot en met 2010). De onderneming lijdt in de jaren 2010 tot en met 2016 overwegend verliezen en het ondernemingsvermogen is negatief. In de aangifte ib/pvv 2016 neemt de man een afwaardering op. Later verzoekt hij om een beschikking als bedoeld in artikel 6.8, derde lid, Wet IB 2001 (tekst tot en met 31 december 2010), waarin wordt vastgesteld dat het kwijtgescholden deel van de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar is. De inspecteur stelt dit bedrag op nihil. In geschil is of dat terecht is en of de inspecteur bevoegd was uitspraak op bezwaar te doen.
Bevoegdheid inspecteur bij aparte beschikking
De rechtbank stelt voorop dat tegen de aanslag ib/pvv 2016 en tegen de artikel 6.8-beschikking afzonderlijk bezwaar en beroep openstaan. Dat zijn dus twee aparte procedures. Dat tegen de aanslag al beroep liep, betekent niet dat de inspecteur in de bezwaarprocedure tegen de beschikking geen informatie meer mocht opvragen of geen uitspraak op bezwaar mocht doen. Van misbruik van bevoegdheid is niet gebleken. De inspecteur is daarom bevoegd om uitspraak op bezwaar te doen.
Onvoldoende onderbouwing oninbaarheid
Voor aftrek van een verlies op durfkapitaal is vereist dat een redelijk handelend schuldeiser op het moment van kwijtschelding moet concluderen dat inning of verhaal vruchteloos is. De bewijslast rust op de man, omdat hij zich beroept op een voor hem gunstige regeling. De enkele omstandigheid dat de onderneming verlieslatend is en een negatief ondernemingsvermogen heeft, is onvoldoende. De man maakt niet aannemelijk dat hij onderzoek heeft gedaan naar winstprognoses of naar verhaalsmogelijkheden op het privévermogen en toekomstige inkomsten van zijn zoon. Daarom staat niet vast dat de lening op het moment van kwijtschelding niet meer voor verwezenlijking vatbaar is. De inspecteur stelt het niet-verwezenlijkbare deel terecht op nihil en schendt ook niet het vertrouwens- of zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond.
Wet: art. 6.8 en art. 10a.9 Wet IB 2001 (tekst tot en met 31 december 2010)
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 12-02-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:363, LEE 25/1866 | NDFR





Geef een reactie