Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur een nieuw feit heeft voor navordering wanneer hij pas later kennis krijgt van leningsovereenkomsten waaruit een verkapte winstuitdeling blijkt.
Een man is enig aandeelhouder en bestuurder van een bv. In 2018 heeft hij een lening van € 1.000.000 ontvangen van zijn bv. Voor het jaar 2018 legt de inspecteur aanvankelijk een primitieve aanslag IB/PVV op. Later legt hij een navorderingsaanslag op, omdat de bv volgens hem een verkapte winstuitdeling aan de man heeft gedaan. De bv heeft namelijk een onzakelijk lage rente bedongen op de lening, waardoor zij zich een rentebate heeft laten ontgaan en de man dat voordeel geniet. De inspecteur wordt pas in 2021 en 2022 bekend met de relevante leningsovereenkomsten. De man stelt dat geen sprake is van een nieuw feit en dat de inspecteur bij het vaststellen van de oorspronkelijke aanslag onderzoek had moeten doen.
Nieuw feit door leningsovereenkomsten
Het hof oordeelt dat de inhoud van de leningsovereenkomsten een nieuw feit vormt dat navordering rechtvaardigt. De inspecteur kreeg deze overeenkomsten pas na het opleggen van de primitieve aanslag in handen. Daaruit blijkt dat de bv bewust een rentebate heeft laten ontgaan door een te lage rente te bedingen. Daardoor kon de man het rentevoordeel genieten, wat kwalificeert als een verkapte winstuitdeling. De inspecteur heeft daarom terecht een voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen in de navorderingsaanslag.
Het hoger beroep van de inspecteur slaagt en de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 blijft in stand.
Wet: art. 16 AWR
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1012, 24/1274 | NDFR





Geef een reactie