De Kennisgroep Pijler 2 heeft twee vragen beantwoord over de regeling voor de bijheffing van een joint venture-groep.
Aan de kennisgroep zijn vragen gesteld over de toepassing van de artikelen 1.3 (vestigingsplaats) en 14.2, vijfde lid, (transitieregels) Wet minimumbelasting 2024 (‘WMB 2024’) bij de berekening van de bijheffing van een joint venture, zoals gedefinieerd in artikel 1.2, eerste lid, WMB 2024 (‘JV’).
Vragen
Op grond van artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024 vindt de berekening van de bijheffing van een JV en de met de JV verbonden partijen plaats op de voet van de hoofdstukken 6 tot en met 10 WMB 2024 als ware de JV en de met haar verbonden partijen een aparte groep. Dit geeft aanleiding tot de volgende twee vragen:
- Is de vestigingsplaatsbepaling van artikel 1.3 WMB 2024 van toepassing bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep?
- Is de transitiebepaling voor de onderbelastewinstbijheffing, zoals opgenomen in artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024, van toepassing bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep?
Antwoorden
- Ja. Artikel 1.3 WMB 2024 bepaalt de vestigingsplaats van een entiteit en de plaats waar een vaste inrichting is gelegen voor toepassing van de WMB 2024. De vestigingsplaatsbepaling van artikel 1.3 WMB 2024 is van toepassing op een JV en de met de JV verbonden partijen en geldt daardoor ook bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep overeenkomstig artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024.
- Nee. Artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024 voorziet in een tijdelijke nihilstelling van de onderbelastewinstbijheffing voor multinationale groepen. Deze transitiebepaling wordt toegepast door de in Nederland gevestigde groepsentiteit die belastingplichtig is voor de onderbelastewinstbijheffing. Wanneer sprake is van een JV of JV-groep vindt de onderbelastewinstbijheffing plaats bij de moederentiteit die een belang heeft in de JV of JV-groep. Artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024 is niet relevant bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep.






Geef een reactie