De Hoge Raad oordeelt dat renteaftrek alsnog kan worden geweigerd als buiten de 10a-structuur sprake is van gekunstelde winstdrainage. Een compenserende heffing in Luxemburg staat toepassing van fraus legis niet in de weg.
Een Nederlandse joint-venturevennootschap vormt de samenwerking tussen een Nederlandse bank en een Franse bank. Een Luxemburgse dochter van de Franse bank koopt de bv als plankvennootschap voor een investeringsstructuur. De Nederlandse bank stort in twee tranches in totaal € 750 miljoen aan agio op B-aandelen. De Luxemburgse vennootschap verstrekt daarnaast zogenoemde limited recourse-leningen aan de bv. De bv gebruikt de middelen voor een obligatieportefeuille en voor preferente aandelen in een Luxemburgse dochtervennootschap. De rente op de leningen brengt zij in aftrek, terwijl de opbrengsten uit de preferente aandelen onder de deelnemingsvrijstelling vallen. De inspecteur corrigeert de renteaftrek bij navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de boekjaren 2007/2008 en 2008/2009. In geschil is of artikel 10a Wet Vpb 1969 en fraus legis renteaftrek verhinderen.
Tegen-tegenbewijs terecht toegepast
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de inspecteur mocht toelaten tot het zogenoemde tegen-tegenbewijs van artikel 10a lid 3 Wet Vpb 1969. Dat de inspecteur zijn beroep aanvankelijk beperkte tot het boekjaar 2008/2009, berust volgens het hof op een kennelijke rechtsdwaling. Omdat de bv voldoende gelegenheid kreeg om te reageren, is geen sprake van strijd met artikel 8:69 Awb of de goede procesorde. Ook bij een compenserende heffing van meer dan 10% kan de inspecteur tegen-tegenbewijs leveren. De Hoge Raad volgt het hof dat aan de limited recourse-leningen en de daarmee samenhangende rechtshandelingen niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.
Fraus legis naast artikel 10a mogelijk
Voor de periode vóór 1 januari 2008 kan de renteaftrek niet op grond van de tegen-tegenbewijsregeling worden geweigerd. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof terecht heeft beoordeeld of fraus legis toepassing vindt. De compenserende heffing in Luxemburg sluit niet uit dat buiten de 10a-structuur strijd ontstaat met doel en strekking van de Wet Vpb 1969. Volgens de Hoge Raad is sprake van een gekunstelde structuur waarin rentelasten bij de bv worden afgezet tegen eveneens gekunsteld bij haar opgekomen voordelen. Zo wordt de Nederlandse heffing over het rendement op de obligatieportefeuille op willekeurige en voortdurende wijze verijdeld. Ook Unierecht staat toepassing van art. 10a en fraus legis niet in de weg. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Bron: Hoge Raad, 01-05-2026, ECLI:NL:HR:2026:736, 21/04746 | NDFR





Geef een reactie