Rechtbank Gelderland oordeelt dat een bv in de kunsthandel de vereiste aangifte vpb 2019 niet heeft gedaan, omdat een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag niet is aangegeven. De door de inspecteur gemaakte schatting van € 750.000 is echter niet redelijk; een schatting van € 250.000 wel.
Een bv die zich bezighoudt met het in- en verkopen van kunst dient voor het jaar 2019 aangifte vennootschapsbelasting in naar een belastbaar verlies van € 61.072. De bankrekening van de directeur-enig aandeelhouder bij de Rabobank wordt ook zakelijk gebruikt. De inspecteur verzoekt meerdere malen om bankafschriften en andere stukken over de jaren 2018-2020, maar de bv legt onder meer de Spaanse bankafschriften, creditcardafschriften en jaarrekeningen van een Spaanse vennootschap van de directeur niet over. Na een boekenonderzoek legt de inspecteur een aanslag vpb 2019 op naar een belastbare winst van € 750.000. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en voor het juiste bedrag is opgelegd.
Vereiste aangifte niet gedaan
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de administratie terecht is verworpen. Door het gemengde gebruik van de privébankrekening van de directeur voor zakelijke transacties is het niet mogelijk de rechten en verplichtingen van de bv vast te stellen. Omdat geen informatiebeschikking is genomen, leidt de verwerping van de administratie op zichzelf niet tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur maakt echter aannemelijk dat de vereiste aangifte niet is gedaan: de bv heeft € 49.436 aan onherleidbare uitgaven op de Raborekening niet verklaard, terwijl in de aangifte een verlies van € 61.072 is aangegeven. Dat is absoluut en relatief aanzienlijk. Nu zowel de bv als haar directeur gebruik maken van de relevante bankrekening, moet de bv hiervan op de hoogte zijn geweest. De bewijslast wordt daarom omgekeerd en verzwaard.
Schatting van € 750.000 niet redelijk
De rechtbank oordeelt dat de schatting van € 750.000 niet redelijk is. De directeur heeft onweersproken verklaard met geleend geld aandelen NIO te hebben gekocht, die in 2020 met 1.110% in waarde stegen. Dit wordt grotendeels bevestigd door het afschrift van de beleggingsrekening over 2020. De stelling van de inspecteur dat de vermogensstijging het gevolg is van in 2019 verrichte activiteiten, is niet onderbouwd. Een schatting van € 250.000 acht de rechtbank wél redelijk, gelet op het ontbreken van enige verklaring over de Spaanse bankrekeningen, de financiering van de uitgaven van € 232.636, de tegenstrijdigheid met de TOZO 4-aanvraag en de onduidelijkheid over een tweede Raborekening van de bv. De bv is niet geslaagd in de op haar rustende verzwaarde bewijslast. Het beroep is gegrond; de aanslag wordt verminderd tot een belastbare winst van € 250.000.
Wet: art. 52 AWR
Bron: Rechtbank Gelderland, 25-03-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2348, AWB 24/4840 | NDFR
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!





Geef een reactie