Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een bv geen recht heeft op aftrek van voorbelasting bij doorfacturering van privéaankopen van een ambtenaar. De bv is daarnaast de gefactureerde btw aan de gemeente verschuldigd op grond van artikel 37 Wet OB.
Een bv die zich bezighoudt met kantoor- en magazijninrichting is in de jaren 2013 tot en met 2016 leverancier van een gemeente. Een ambtenaar van die gemeente maakt misbruik van zijn positie door privéaankopen via leveranciers te laten factureren aan de bv. De bv betaalt deze facturen, verhoogt het bedrag met circa 10% en factureert dit door aan de gemeente. De gemeente betaalt deze facturen. Later blijkt dat de goederen en diensten niet aan de gemeente zijn geleverd. De inspecteur legt naheffingsaanslagen omzetbelasting op over 2013 t/m 2016 omdat de bv ten onrechte voorbelasting heeft afgetrokken. In geschil is of deze naheffingsaanslagen terecht zijn.
Geen afnemer, dus geen aftrek
Het hof oordeelt dat niet de bv, maar de ambtenaar de afnemer is van de prestaties. De gemeente heeft de prestaties nooit ontvangen en er is geen rechtsbetrekking met de gemeente tot stand gekomen. Ook is geen sprake van commissionairschap, omdat de prestaties niet via de bv tot stand zijn gekomen maar rechtstreeks door de ambtenaar zijn geregeld. Dat de bv de facturen betaalde en doorfactureerde, maakt haar nog geen afnemer. Daardoor heeft de bv geen recht op aftrek van de voorbelasting.
Btw verschuldigd en geen herziening
De bv heeft ten onrechte btw gefactureerd aan de gemeente en is deze btw verschuldigd op grond van artikel 37 Wet OB. Herziening is niet mogelijk, omdat dit zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking: de bv zou de btw behouden terwijl zij deze als verschuldigd heeft gepresenteerd. Dat de situatie leidt tot een zware financiële last, verandert dit niet. Het hof bevestigt daarom de naheffingsaanslagen over 2013 t/m 2016.
Wet: art. 37 Wet OB 1968
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 18-03-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:741, 23/332 tot en met 23/335 | NDFR





Geef een reactie