De Kennisgroep inkomstenbelasting niet winst heeft vragen beantwoord over de wijze waarop optierechten en optieverplichtingen in de tegenbewijsregeling box 3 in aanmerking worden genomen.
Het verkrijgen van het optierecht tegen betaling van een optiepremie leidt niet tot het in aanmerking nemen van werkelijk rendement. De waardeveranderingen van het optierecht gedurende de periode dat het optierecht in bezit is van belastingplichtige, komen tot uitdrukking in de vermogensaanwas van het optierecht. De uitoefening van het optierecht leidt ertoe dat het optierecht de bezittingen van belastingplichtige verlaat. Deze onttrekking heeft een waarde van nihil, omdat het optierecht is uitgeoefend en daarna geen waarde meer heeft.
Daar staat tegenover dat de belastingplichtige bij de uitoefening van het optierecht aandelen verwerft. De storting ten aanzien van deze aandelen wordt gesteld op de uitoefenprijs van het optierecht. Dit betreft een zakelijke betaling voor de aandelen, die destijds bij aankoop van het optierecht is afgesproken. Daarom zal deze betaling afwijken van de beurswaarde van de aandelen op het moment van het uitoefenen van het optierecht.
Voor de tegenbewijsregeling box 3 werkt de systematiek voor een optieverplichting hetzelfde – maar dan spiegelbeeldig aan het optierecht – uit.





Geef een reactie