Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat het resultaat uit factoringactiviteiten niet kwalificeert als rentebate voor de earningsstrippingmaatregel. De bv krijgt daarom geen verlaging van haar rentesaldo op grond van artikel 15b Wet Vpb 1969.
Een bv is binnen een concern actief als factoringmaatschappij. Zij neemt handelsvorderingen op derden over van groepsmaatschappijen. Dat gebeurt op non-recourse basis: de bv krijgt direct de eigendom van de vorderingen en neemt ook het volledige debiteurenrisico over. De vorderingen hebben een looptijd van maximaal 90 dagen. De bv koopt de vorderingen tegen de nominale waarde min een factoring fee. Die fee bestaat uit een marge en een zogenoemde Reference Rate. De inspecteur past bij de aanslag vennootschapsbelasting 2019 de earningsstrippingmaatregel toe en weigert € 7.748.037 aan rentelasten in aftrek. In geschil is of het Reference Rate-deel van het factoringresultaat kwalificeert als rentebate ter zake van geldleningen.
Geen geldlening bij factoring
Het hof kijkt eerst naar de verhouding tussen de bv en de groepsmaatschappijen. Daar is sprake van koop van activa, namelijk handelsvorderingen. De bv betaalt daarvoor een koopsom en krijgt de vorderingen en risico’s volledig overgedragen. Er is geen geldlening of vergelijkbare overeenkomst, omdat de bv geen hoofdsom ter beschikking stelt en de groepsmaatschappijen geen terugbetalingsverplichting hebben. Met de koop en betaling eindigt de relatie tussen koper en verkoper. Dat het factoringresultaat economisch lijkt op rente, maakt dit volgens het hof niet anders.
Ook ATAD 1 helpt de bv niet
Ook in de verhouding tussen de bv en de handelsdebiteuren ziet het hof geen rentebaten. Door de overdracht ontstaat wel een schuldrelatie, maar de handelsvorderingen zijn geen geldleningen of vergelijkbare overeenkomsten. Bovendien wordt geen rente berekend als de debiteuren binnen 90 dagen betalen, en dat is hier het geval. De bv stelt nog dat Nederland ATAD 1 te beperkt heeft geïmplementeerd. Het hof volgt dat niet. De richtlijn verwijst bij financieringskosten en financieringskostensurplus naar nationaal recht. Daarom is geen sprake van een onjuiste implementatie. Het hoger beroep is ongegrond en de aanslag blijft in stand.
Wet: art. 15b Wet Vpb 1969
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 22-04-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1081, 24/659 | NDFR





Geef een reactie