Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een dochter erfbelasting verschuldigd is over haar verkrijging, ook al heeft zij de nalatenschap beneficiair aanvaard. Dat haar vader als vruchtgebruiker de erfbelasting niet wil betalen, is een civielrechtelijke kwestie.
Een vrouw is erfgenaam van haar moeder, die in 2022 is overleden. In het testament zijn de echtgenoot en de dochter ieder voor de helft als erfgenaam benoemd. De vader krijgt op grond van het testament het vruchtgebruik van de nalatenschap. De inspecteur legt aan de dochter een ambtshalve aanslag erfbelasting op van € 2.500, later verminderd tot € 2.444. De dochter stelt dat de inspecteur geen aanslag mocht opleggen, omdat zij geen aangifte heeft kunnen doen. Ook voert zij aan dat de erfbelasting voor haar een individuele en buitensporige last vormt. Zij heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard, beschikt niet over de nalatenschap en haar vader wil de erfbelasting niet betalen.
Aanslag mocht ambtshalve
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de aanslag erfbelasting mocht opleggen. De belastingschuld ontstaat op het moment van overlijden van de moeder. Als een erfgenaam niet binnen acht maanden wordt uitgenodigd tot het doen van aangifte erfbelasting, moet die erfgenaam zelf om een uitnodiging vragen. Dat heeft de dochter niet gedaan. Dat zij geen aangifte heeft gedaan, komt daarom voor haar rekening. De aanslag is weliswaar aanvankelijk naar een verkeerd adres gestuurd, maar de dochter is daardoor niet benadeeld. Zij heeft later kennisgenomen van de aanslag en haar bezwaar is ontvankelijk verklaard.
Geen buitensporige last
De rechtbank ziet geen individuele en buitensporige last. De dochter is als erfgenaam erfbelasting verschuldigd over haar verkrijging van de bloot eigendom. Beneficiaire aanvaarding verandert dat niet, omdat die alleen ziet op aansprakelijkheid voor schulden van de nalatenschap en niet op de heffing van erfbelasting. De dochter maakt ook niet aannemelijk dat zij in de toekomst feitelijk niets uit de erfenis zal verkrijgen. Dat de vader als vruchtgebruiker de erfbelasting niet betaalt of niet wil betalen, maakt het fiscale oordeel niet anders. Dat is volgens de rechtbank een civielrechtelijke kwestie. Wel krijgt de dochter een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase en € 500 immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Wet: art. 32 en art. 78 Successiewet 1956
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-05-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4356, 24/4396 | NDFR





Geef een reactie