Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de APV-regeling ook geldt voor een familiestichting zonder fiscaal motief of misbruik. De erfgenamen blijven daarom belasting verschuldigd over hun toegerekende aandeel in het stichtingsvermogen.
Een vrouw is erfgenaam van een in 1907 opgerichte familiestichting. De stichting ondersteunt familieleden financieel, organiseert familieactiviteiten en financiert onderzoek naar een aandoening. Vanaf 2018 worden de statuten gewijzigd, waardoor alleen jonge of behoeftige familieleden nog financiële steun kunnen ontvangen. De inspecteur merkt de stichting aan als een afgezonderd particulier vermogen (APV) en rekent een deel van het stichtingsvermogen in box 3 aan de vrouw toe over 2018 en 2019. Na een eerdere procedure bij Hof Amsterdam en een verwijzing door de Hoge Raad moet Gerechtshof Den Haag nog beoordelen of toepassing van de APV-regeling in strijd is met algemene rechtsbeginselen.
Geen strijd met algemene beginselen
Het hof verwerpt alle resterende bezwaren. Volgens het hof heeft de Hoge Raad al geoordeeld dat de APV-regeling op stelselniveau verenigbaar is met het EVRM en dat de regeling niet is beperkt tot misbruiksituaties. Daarom slaagt ook het beroep op een redelijke wetsuitleg niet. Evenmin is sprake van strijd met het verbod van willekeur, détournement de pouvoir of het rechtszekerheidsbeginsel. Dat de stichting al in 1907 is opgericht, betekent niet dat de regeling met terugwerkende kracht wordt toegepast. De aanslagen zien immers uitsluitend op de jaren 2018 en 2019.
Geen ruimte voor evenredigheidstoets
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt. De vrouw ontvangt na de statutenwijziging geen jaarlijkse uitkering meer, maar het hof wijst erop dat de wetgever juist heeft voorzien dat de box 3-heffing kan afwijken van de daadwerkelijk ontvangen uitkeringen. Dat vormt dus geen bijzondere omstandigheid die toepassing van de wet buiten werking kan stellen. Het hof bevestigt daarom de aanslagen, zoals deze na het Kerstarrest al ambtshalve waren verminderd.
Bron: Gerechtshof Den Haag, 23-06-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2038, BK-25/752 en BK-25/753 | NDFR





Geef een reactie